Blijven bidden en de moed niet opgeven

Lezingen: Exodus 17, 8-13 (Strijd tegen Amalek) en Lucas 18, 1-8

Welkom in de Boskapel op deze zondag in de herfst, kleurrijk jaargetij bij uitstek; even kleurrijk als wij zijn, volk van God. Vandaag staan twee verhalen centraal, die getuigen dat uiteindelijk ook de zwakste het pleit kan winnen.

  • Het sterke woestijnvolk Amalek heeft het gemunt op het kwetsbare Israël;
  • en een autoritaire rechter wil een klagende weduwe de mond snoeren.

Toch zullen Israël en de weduwe hun strijd winnen. Dat vraagt om een houding van volhardend vertrouwen op de goede afloop. Twee verhalen willen leren dat God luistert naar wie tot Hem roept. Kunnen deze verhalen ook ons bemoedigen?

Overweging

“Een jaar lang ben ik elke dag, weer of geen weer, te voet gegaan naar de Mariakapel van de Molenstraat: gelopen om daar een lichtje op te steken en even te bidden. Geen dag heb ik overgeslagen”, zo vertelde een jonge moeder. Haar eerste kind bleek bij de geboorte een groeiachterstand te hebben. Het zou moeilijk kunnen lopen. Een jaar lang liep de moeder nu voor haar kind, elke dag een kaarsje als een smeekgebed om kracht en sterkte in die moeilijke situatie. Achteraf zegt ze: “het heeft me geholpen om met het kind alle pijnlijke behandelingen te doorstaan. Ik heb gedaan wat ik kon, want de toekomst van mijn kind hing er vanaf!”

Zo’n zelfde geloof en inspanning vind ik ook bij de weduwe uit het Evangelie. Weduwe-worden betekende in die tijd: hulpeloos zijn, rechteloos, geen uitkering of welke hulp dan ook. Bovendien lijkt ze nog slachtoffer te zijn van een oneerlijke behandeling ook! Vermoedelijk iemand die winst slaat uit haar zwakke positie. Ze laat het er niet bij zitten en stapt naar de rechter. Maar ook hier treft ze het niet: een man die zich om God nog gebod bekommert, laat staan om een rechteloze vrouw. Herhaaldelijk vindt hij de vrouw op zijn stoep. In alle toonaarden probeert zij hulp te krijgen: smekend, huilend, schreeuwend, vloekend… Volhouden is haar kracht, haar enige wapen. En het helpt! De rechter gaat door de knieën, want: “straks komt ze me nog een blauw oog staan!” Omdat hij – letterlijk en figuurlijk – zijn gezicht wil redden, zorgt hij er uiteindelijk voor dat haar recht wordt gedaan. “Dus”, zegt Jezus, “als een rechter die om God noch gebod geeft, ten slotte toch luistert, zal God dan geen recht verschaffen aan hen die dag en nacht om Hem roepen?”

Natuurlijk wel, leert Jezus, maar dan moet je wel volhouden en vertrouwen. Want bidden is niet bedoeld om je zin te krijgen, maar om te ontdekken wat God nu eigenlijk met je voorheeft. Bidden betekent dus: moed houden, je niet neerleggen bij de feiten, geloven dat het recht het wint van het onrecht. Maar wat te doen als je krachten tekort schieten; als je moe en moedeloos bent, dat je maar liever afhaakt?

Ik kende eens een man die zich agnost noemde: God kun je niet kennen. In het midden van zijn leven werd hij ziek: kanker, niet meer te genezen. Hij bleef zo lang mogelijk actief, ook voor zijn vrouw en kinderen. En af en toe kwam ik op bezoek en hadden we goede gesprekken met elkaar. Hij dacht vaak na over de dood. “Ik zou willen dat ik kon geloven zoals jullie”, zei hij tegen zijn vrouw en mij. “Het zou me enorm helpen, zoals ik dat bij collega’s heb gezien die vertrouwden op een hiernamaals. Maar dit is ’t nou precies: ik kan niet geloven, al wil ik het nog zo graag.”

Een worsteling om leven en dood. Of noem het maar rustig: een gebed: zwerven zoeken, schreeuwen om hulp: “Ik red het niet alleen; juist nu mijn leven ermee gemoeid is, zijn mijn krachten ontoereikend.”

Het hield me bezig en ik dacht: misschien kan ons gezamenlijk geloof – van zijn vrouw en mij en van heel de geloofsgemeenschap – hem dragen. Want een geloofsgemeenschap is er niet alleen voor zichzelf. Wij samen moeten ook datgene doen waar velen om welke reden dan ook, niet aan toekomen, of niet aan toe kunnen komen. Mensen die het Goede Verhaal levend houden en in plaats van hun medemensen tot God bidden en andere diensten verrichten.

Ook in het Mozesverhaal lees ik iets dergelijks. Dapper is hij aan zijn taak begonnen: Israël leiden in de richting van God, in de richting van het beloofde land. Hij denkt het wel te klaren en sterk genoeg te zijn om het kwaad tegen te houden.

Hij doet wat hij kan om de vijand Amalek, die het volk onderweg herhaaldelijk bedreigt, te weerstaan. Hij doet alles om Israël voor God te behouden; maakt een hemelbestormend gebaar: “zie de ellende van het volk!” Maar Mozes raakt uitgeput, hij houdt het in zijn eentje niet vol. En dan, als hij zijn armen en de moed laat zakken, schreeuwt hij zijn vrienden toe hem te helpen, het verlangen en de hoop van het volk mee te dragen. Het geloof van de hele gemeenschap is nodig om het kwaad te bestrijden.

Als Israël dan uiteindelijk overwint en zich blijft keren naar God, is het niet de strategie of de gevechtstechniek van de manschappen die voor de overwinning zorgen, maar Mozes’geloof en de uiterste krachtsinspanning van zijn vrienden om dat geloof levend te houden.

Ik denk hierbij ook aan het verhaal van de Chileense mijnwerkers die 69 dagen onder de grond zaten opgesloten. De voorman was degene die de moed bij de kompels erin wist te houden. Zijn moed, het geloof van de kompels en de krachtinspanningen van buiten zorgden samen voor de succesvolle afloop.

Daarom zegt het Evangelie: Blijf bidden omdat je leven ervan afhangt. En als je het niet alleen redt, zoals die man met zijn geworstel, zoals de uitgeputte Mozes; durf dan te rekenen op de steun van de gemeenschap, op de inzet en het geloof van allen. Wij, als geloofsgemeenschap, kunnen die zorg voor elkaar dragen.

Joost Koopmans osa
inspiratiebron: Het hoge woord eruit, Berne Heeswijk, 2000

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie