Slapen in de storm

Lezingen: Job 38, 1.8-11 en Marcus 4,35-41

Het zijn sterke lezingen die wij vandaag horen: de mens wordt geconfronteerd met de beperkingen van mens-zijn. In de eerste lezing krijgt Job in krachtige termen te horen dat hij niet de natuur beheerst maar zich bewust moet zijn van de Oerbron, de Schepper. Dát krijgt Job te verwerken als hij de Eeuwige vragen gaat stellen.

In de evangelielezing staan mensen centraal die de storm in hun leven niet aankunnen omdat ze bang zijn. Zij beperken hun grenzen juist té veel door niet in eigen krachten en kunnen te geloven.

In beide lezingen is sprake van geloofservaringen. Zijn ze herkenbaar voor ons, 2000 jaar verder?

Ik wens ons een goede viering.

Overweging

Van de vier evangeliën is dat van Marcus het oudste, geschreven rond het jaar 60. Hij schrijft aan de jonge kerkgemeenschap in Rome, die hevig lijdt onder de vervolging van keizer Nero. Ze vlucht naar de catacomben, de ondergrondse begraafplaatsen van de stad. Daar is het nacht en aardedonker.

Deze kleine christengemeenschap zoekt steun in de herinneringen aan Jezus. Het is niet onwaarschijnlijk dat de ouderen onder hen Jezus nog hebben meegemaakt. Ze bidden samen de psalmen waarin alle menselijke ervaringen zijn verwoord. In psalm 107 bevindt een aantal zeelieden zich in een vreselijke storm. In antwoord op hun roepen beheerst God het water en gaan de golven liggen.

Deze kleine groep eerste christenen leeft ook met de dood voor ogen en krijgt van Marcus een brief met een verhaal, een gelijkenis. Dit is voor hen herkenbaar want Jezus sprak ook altijd in gelijkenissen. (Marcus 4,34)

Wat ze lezen is op het eerste gehoor een nachtmerrie: een boot met mensen die in het aardedonker in noodweer is geraakt. Zwiepende golven duwen de boot omhoog en het water slaat naar binnen. Nergens een lichtpunt, mensen in doodsangst. Dat het op het meer van Galilea kan stormen en dat het weer er plotseling volledig kan omslaan wisten ze maar al tegoed. Ze herkenden zichzelf in hun benarde situatie.

In dit verhaal gaat het echter niet zozeer om de fysieke situatie van een noodweer. Het wil ons veel meer vertellen. Deze gelijkenis van Marcus vertolkt de oer-angst van de mens.

De elementen uit het verhaal hebben te maken met loslaten van zekerheden, met krachten die je mee kunnen sleuren in donkere diepten. Zo begint Marcus te beschrijven dat het avond is wanneer Jezus zegt: “Laten we naar de overkant gaan.”

Avond en overkant kunnen worden verstaan als toespelingen op de overtocht die wij allen ooit maken van deze zijde naar gene zijde. ‘Blijf bij mij Heer, wanneer het avond is wanneer het licht vergaat in duisternis’, zingen we bij een uitvaart. Marcus voegt er aan toe: “Ze lieten de mensen achter”, trokken weg uit hun vertrouwde omgeving, daarmee de veiligheid en de zekerheden achter zich latend.

Naar de overkant gaan betekent: in een nieuwe levensfase komen.
Wil ik dat eigenlijk wel?
Wat staat me te wachten?
Durf ik het wel?

Naar de overkant, misschien na een aantal mislukkingen, teleurstellingen in je leven, of na een nieuwe uitnodiging die je totaal niet meer verwacht of een nieuwe relatie aangaan of de dood nabij weten.

Hoe dan ook, Jezus en zijn leerlingen vertrekken. En dan slaat plotseling het weer om. Het schip dreigt bedolven te worden onder de golven. Het lijkt afgelopen.

De zee is een beeld van de afgrond waarin alles onder je wegschuift. Het is een nachtmerrie over het leven zelf. Het zijn existentiële angsten die het hart van je bestaan raken en heel je leven op de kop zetten.

  • het sterven van je lief, je kind, je ouders
  • een stukgelopen relatie
  • een identiteitscrisis

Het kan zwaar weer worden in je leven, stormen in je hoofd en hart. Wie van ons kent dit niet? Je voelt je verloren en het lijkt alsof God slaapt. Hóórt hij je roepen dan niet? Waaraan heb je dit verdiend, je hebt in je leven er toch altijd het beste van proberen te maken?

Jezus slaapt schijnbaar, net zoals de Eeuwige lijkt te slapen. Hij weet zich verbonden met zijn Vader. Hij wordt wakker van de noodkreten van zijn leerlingen en… hij staat op: opstanding!

“Zwijg, wees stil”. Jezus straft de wind en de zee met dezelfde woorden af als destijds toen hij een boze geest uitdreef. “Zwijg, wees stil”, zegt hij tot alles wat het leven van mensen bedreigt.

Jezus spreekt met dezelfde autoriteit als God in het boek Job: “tot hier en niet verder, dit is de grens die ik je trotse golven stel.” (Job 38, 11.) Want Job riep God ook ter verantwoording in alle ellende die hem was overkomen. Hij zat letterlijk op de puinhopen van zijn bestaan. Dát had hij niet verdiend! Is dat niet onrechtvaardig?

De Eeuwige zwijgt. Het stormt in het leven van Job. Vanuit de storm uiteindelijk hoort Job dat God hem tot de orde roept. Hij roept Job een halt toe: waar was jij toen de schepping aanving? God is een langzame ontdekking. Dit vraagt geduld en uithouden in de stilte.

Gods plannen zijn niet te peilen en mensen kunnen niet zomaar eisen dat alles geregeld wordt zoals zij dat willen. Door deze woorden ontdekt Job zijn ware verhouding tot God. Hij vindt God onrechtvaardig maar zijn geloof blijft overeind ondanks alles wat hem overkomt. Er is ook geen verklaring voor de ellende waarin hij verkeert.

Ik lees daarin dat een mens moet proberen recht op te blijven staan. Wat gebeurt, gebeurt. Het heeft geen zin God verwijten te maken. Daarmee verleg je de verantwoordelijkheid. Die houding zien we bij Jezus. Hij heeft geen medelijden met zijn leerlingen maar hij roept hen tot de orde en daarmee ons ook: “Hebben jullie dan geen vertrouwen meer?” Jezus verwijt ons niet onze angst maar dat we niet het vertrouwen hebben om die angst aan te pakken.

Als je in een crisissituatie bent beland, heb je ook vaak geen vertrouwen meer in jezelf. Soms is het dan gemakkelijker om de verantwoordelijkheid maar bij een ander neer te leggen.

Is God dan geen reddende God?
Nee, want wat in gang is gezet gaat gewoon door.
Ja, als je durft te vertrouwen dat het in diepste wezen goed komt.

Een oervertrouwen waarvoor geen woorden meer zijn. Je komt in de leegte, in de stilte. Dúrf je te geloven in een God die sluimerend in jou aanwezig is, slapend op het achterdek? Kun je vrede hebben met je mens-zijn waarin niet voor alles een pasklaar antwoord is? Dúrf je de stilte in je leven toe te laten ná de storm?

Waarom zo bang als het stormt?
Zijn we bij de Eeuwige niet in goede handen?

Het zijn de handen die ons in de moederschoot hebben geweven (psalm139), de handen die ons leiden naar de andere oever.

Maria Schröder
Inspiratiebronnen: Nico ter Linden, ‘Het verhaal gaat’ – deel 2
Eugen Drewerman, beelden van verlossing
Kerugma 1996-1997, nr. 4 – B-Jaar

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *