Is hij het echt?

Lezingen: Handelingen 3,1-15 en Lucas 24,36-48

Vrede voor jou! Zo begroet de verrezen Jezus zijn leerlingen. Vrede voor jou, zo begroet hij ook ons, hier bijeengekomen om hem te gedenken op deze derde zondag van Pasen. Vrede voor jou die hier komt voor een moment van bezinning en inkeer.

De Heer is waarlijk opgestaan! Wij zeggen het, met de hele kerk, de eerste leerlingen na. Maar het is geen gemakkelijke uitspraak. Hij komt pas na schrik en met angst en beven. Het is zo’n pretentieuze uitspraak. Maar we kunnen er niet omheen. Zonder deze woorden, zonder de waarheid van deze woorden, zouden wij geen christenen zijn. Maar we moeten ze wel waar maken.

Overweging

Op 11 april, paaszaterdag, verscheen in de Volkskrant een opiniestuk van Andries Knevel met als titel: De Heer is waarlijk opgestaan! Hij verdedigt daarin dat het Nieuwtestamentische verhaal over de verrijzenis historisch gezien echt klopt, met argumenten die hij mede ontleent aan de bekende Joodse theoloog Pinchas Lapide. Het stuk trok extra de aandacht omdat Knevel in februari in het nieuws kwam toen hij afstand nam van de letterlijke interpretatie van het scheppingsverhaal in Genesis. Probeerde hij zijn geloofwaardigheid in behoudend protestantse kring te herstellen?

Maar dat soort vragen is minder belangrijk dan de inhoud van het artikel zelf. Zijn de argumenten van Lapide en Knevel echt zo sterk? Daar valt nogal wat op af te dingen, maar we gaan hun argumenten hier niet in detail uitspitten. Een algemene kritiek is dat Knevel zich afvraagt of één gegeven uit de bijbel historisch klopt, de Verrijzenis, en er vervolgens bij de beantwoording van die vraag van uitgaat dat alle andere gegevens uit de bijbel historisch wel kloppen. Dan maakt hij zich er echt te gemakkelijk vanaf. Maar zelfs als we het niet met Knevel eens zijn over de kracht van zijn argumenten, is een uitspraak aan het einde van het artikel toch interessant. Daar zegt Knevel namelijk: Het christelijk geloof is iets anders dan het aannemen van historisch betrouwbare feiten. Dat is zo waar, dat ik me afvraag waarom Knevel daar niet de moed uit put om net als bij het scheppingsverhaal wat vrijer te staan tegenover de eis van historische betrouwbaarheid. Want eigenlijk vragen de verhalen van de verrijzenis daar ook om, om die vrijheid, ook het evangelie van vandaag. Wat hier gebeurt, is immers te groot voor woorden, te groot voor historisch betrouwbare feiten.

Er gebeurt iets uitzonderlijks in dit verhaal. De leerlingen weten al dat Jezus verrezen is. Net voor dit verhaal begint, keren de Emmausgangers bij hen terug en de andere leerlingen begroeten hen met de woorden: De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt en hij is aan Simon verschenen! Daarna vertellen de Emmausgangers hún verhaal. Terwijl ze nog aan het vertellen waren, kwam Jezus zelf in hun midden staan en zei: Vrede zij met jullie. De gewone joodse groet: Sjaloom aleichem, vrede voor jou. En de leerlingen schrikken. Je zou kunnen zeggen: logisch, gezien de situatie, maar dat is het niet. Na hun triomfantelijke belijdenis “De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt” denken de leerlingen nu een geestverschijning te zien. Zo moeilijk te bevatten is wat hier gebeurt. Zo worstelen ze met hun ervaring met de verrezen Christus. Wat zien zij, wat ervaren zij? Is hij het echt? Kan hij het wel zijn, hij is toch gestorven?

Wij kunnen wel denken dat het voor ons moeilijk is de verrijzenis van Christus te begrijpen, maar de leerlingen hadden het op hun manier niet gemakkelijker. Wat gebeurt, is te groot voor woorden. Woorden schieten te kort of zeggen te veel. Bij de voorbereidende bespreking viel het ons zelf ook op: hoe zeg je dat de ervaring met Jezus doorgaat voor de leerlingen, terwijl die toch ook afgebroken is. Hoe zeg je dat hij leeft, terwijl hij is gestorven?

Het evangelie wil ons duidelijk maken dat deze Jezus, daar en toen in hun midden, toch dezelfde is als de Jezus die zij hebben moeten begraven. Kijk naar zijn wonden, zijn handen en zijn voeten: hij is het echt. Maar bij zien houdt het op. De uitnodiging om hem aan te raken blijft echter onbeantwoord. Ze kunnen Jezus niet meer met hun handen vastpakken, alleen nog in geloof.

Dat is steeds de stap die gezet moet worden: een stap in geloof. Ze zien Jezus, maar ze herkennen hem eerst niet. Er is uitleg nodig. En die uitleg ligt eigenlijk al klaar, in de schrift, in de woorden die Jezus heeft gesproken toen hij nog leefde. Ze hoeven er alleen nog maar ontvankelijk voor te worden. En de leerlingen ervaren het zo, dat Jezus zelf hen ontvankelijk maakt. Het is niet alleen een troostrijke herinnering, zoals we tegen elkaar zeggen als een geliefde overleden is: “zolang wij aan hem denken leeft hij in ons voort”. Nee, het is meer. Hun ervaring met Jezus gaat door, groeit verder en blijft hen leiden. En ze zeggen: De Heer is waarlijk opgestaan. Ze leggen er getuigenis van af. En er gebeuren wonderen. Ze gaan verder op zijn weg.

En ook wij leven vanuit die ervaring dat het verhaal van Jezus door moet gaan. Maar we zijn nuchtere Nederlanders en schrikken al snel terug voor grote woorden. En we hebben het niet graag over wonderen, al gebeuren ze wel in ons midden, als we er oog voor hebben. De weg van Jezus volgen, dat doe je gewoon, met vallen en opstaan. Doe maar gewoon. Maar met Pasen spreekt de kerk, het lichaam van Christus, spreken al onze voorouders in het geloof ons toe. Ze leggen ons uit dat het feit dat wij op de weg van Christus gekomen zijn en daarop verder willen, niet toevallig is. Het is een keer begonnen, toen de leerlingen Jezus herkenden en wisten: hij is het echt, in wat hen overkwam na zijn dood. En het zal doorgaan als wij daarvoor ontvankelijk zijn. Als wij Jezus durven herkennen in wat ons overkomt als wij de weg van Christus gaan. Dan kunnen ook wij zeggen: hij is het echt.

De Heer is waarlijk opgestaan.

Karel Peijnenborg

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie