Geloven is het werk van God

Lezingen: Exodus 16,2-4.12-15 en Johannes 6,24-36

Vandaag horen we een verhaal over mensen die door de woestijn trekken. Een droom achterna. Maar is het wel hun eigen droom? Zijn ze niet te ver gegaan? Ze dreigen immers van de honger om te komen. — Vandaag horen we een verhaal over mensen die Jezus achterna gaan. Maar hebben ze wel een droom? Gaan ze wel ver genoeg? Of is hun honger al gestild? Twee verhalen over brood, en over meer dan brood.

Het is overigens goed om te bedenken dat het evangelie van vandaag maar het eerste kwart van een verhaal. De komende drie zondagen gaat dat verhaal verder. En eigenlijk sluit het ook nog aan op het evangelie van vorige zondag. Dat is dan eigenlijk één verhaal over vijf zondagen verspreid. Iets om in de gaten te houden: dit verhaal is niet af. Een goede reden om vooral niets van het vervolg te missen!

Overweging

Als je geen brood hebt, dan ga je dood. Dat snapt iedereen. Wat het brood betreft leven wij in dezelfde wereld als de Israëlieten die door de woestijn trekken en de mensen die Jezus achterna lopen. Voor ons is brood de samenvatting, de essentie, van eten. We eten ook veel brood. Twee maaltijden per dag. In de winkels ligt veel brood. Zo belangrijk is het: brood.

In de woestijn verlangt het volk terug naar de vleespotten en het brood van Egypte. Ze zijn nog maar net aan het leger van Farao ontsnapt, het overwinningsfeest is nog maar net voorbij, of de honger, de dood dreigt. Maar God hoort hen en heeft hen niet naar de woestijn gebracht om hen daar te laten sterven. Het volk gelooft dat ook, ze richten zich op God. En God schenkt voedsel: ’s avonds kwartels en ’s ochtends brood. Vlees en brood, net als in Egypte, maar nu uit de hand van God. Zo zegt Mozes het ook: Dat is het brood dat de God u te eten geeft.

Als de Joden later dit verhaal aan elkaar doorvertellen, herinneren ze zich vooral het brood dat hen gered heeft van de dood. Het manna uit de hemel, dat ze nog niet kenden. En het raakt voor hen onverbrekelijk verbonden met dat andere dat ze leerden kennen in de woestijn en dat ook kwam uit de hand van God: het woord, de Wet van God. Zoals het brood in de woestijn ons leven gaf, zeggen ze tegen elkaar, zo gaf ook de Wet ons leven. Want er zijn, naast brood, nog andere dingen die broodnodig zijn.

Dat horen we ook in het evangelie. We zien Jezus in gesprek met mensen. Een menigte komt hem achterna, na het wonder van de broodvermenigvuldiging. Hij lijkt spoorloos verdwenen, maar ze vinden hem toch. In Kafarnaüm, want daar is hij vaak. Nu ook. Ze komen een beetje zeuren: Rabbi, hoe lang bent u hier al? Met andere woorden: zo lang hebben we u moeten missen.

Maar met dat soort luchtige praat moet je bij Jezus niet aankomen. Hij zet, als Rabbi, de boel meteen op scherp: jullie zoeken mij niet, jullie lopen je buik achterna. En de mensen stáán op scherp. Ze weten nog wat ze dachten, na het broodteken: Hij moet wel de profeet zijn die in de wereld zou komen. Die profeet, dat is natuurlijk Mozes. Het mannaverhaal, het Mozesverhaal gebeurt nog een keer in hun eigen tijd! Daarom lopen ze Jezus achterna. Ze snappen het dan ook meteen als Jezus verder gaat: Zoek het voedsel dat eeuwig leven geeft. De Mensenzoon zal het u geven, want de Vader, God zelf, heeft hem die volmacht gegeven. Voor het uitdelen van brood heb je geen volmacht nodig. Maar voor het uitdelen van het brood uit de hemel wel, want daar herkende het joodse volk de broodnodige wet in. Vandaar ook dat de menigte meteen antwoordt: Wat moeten we doen? Welke dingen wil God dat we doen? Help ons ons leven aan God te wijden. Geef ons Gods wet! Leid ons! Wees onze leidsman en koning! Want daar willen ze naartoe. Jezus moet koning worden.

Welke dingen wil God dat we doen… Jezus’ antwoord is bedoeld als koude douche: God wil dat jullie één ding doen, er is maar één werk van God: geloven in hem die hij gezonden heeft. Waarom is dat een koude douche? Omdat daarmee alle andere dingen die je moet doen omdat God ze wil, of liever, alle andere dingen die je doet omdat je dénkt dat God ze wil, van het plan verdwijnen. Dat zijn harde woorden. En de mensen raken dan ook een beetje de weg kwijt, de weg die zo duidelijk naar Jezus’ koningschap leek te leiden. Wat voor teken heeft hij dan gedaan? Het was toch het mannateken?

Natuurlijk was het dat. Maar Jezus stelt de vraag aan de orde wie dat manna gegeven heeft. Was dat Mozes? Nee, natuurlijk niet, dat hadden we ook al gehoord in de eerste lezing, nota bene met de woorden van Mozes zelf: Dat is het brood dat God u te eten geeft. De mensen denken weer dat ze het snappen: Geef ons altijd dat ware brood uit de hemel, dat brood dat uit de hemel neerdaalt en dat leven geeft. Je hoort ze denken: Dat is toch de wet? Dan krijgen we nu een nieuwe wet van de nieuwe wetgever. Van de nieuwe koning! Nieuwe regels die ons helpen in het goede spoor te blijven, die we kunnen koesteren.

Maar Jezus bedoelt iets anders. Dit is belangrijk, het gaat om zijn identiteit. Hij is geen koning, geen wetgever als Mozes, hij is het brood zelf. Hij geeft niet, hij wordt gegeven. Om in te geloven, om van te leven. Hij legt niets op, hij brengt tot leven. Het houvast van de wet, van de regeltjes valt weg, maar juist daardoor kan alles wat bekneld was tot bloei komen en gaan leven.

Om welke regels gaat het dan? Het gaat om je eigen regeltjes en gewoontes, van je gezin, familie of vrienden, de voetbalclub of de tennisvereniging, je school, kerk en werk. Daar zijn zoveel regels, zoveel dingen die vanzelf spreken en altijd maar gaan zoals ze gaan. Sommige zijn nodig, maar veel ook niet. En zelfs de regels die nodig zijn, waar je aan hecht, die werken niet altijd goed. Ze kunnen knellen, kleineren, dood maken. Als je in Jezus gelooft, kijk je met een scheef oog naar regels, naar wat vanzelf spreekt, naar automatismen, ja, naar wat je heilig is. Niet omdat regels per se slecht zijn, maar omdat het eigenlijk altijd om het leven zou moeten gaan. Om die honger en dorst naar leven, echt leven, gaat het Jezus. Die honger wil hij stillen. Zijn voorbeeld, zijn hele leven wil hij daaraan geven. Om leven te geven aan ons, als wij dat ene ding doen dat God van ons vraagt, dat ene werk van God: geloven in hem die door God gezonden is.

Karel Peijnenborg

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

1 Reactie naar Geloven is het werk van God

  1. mam schreef:

    ik heb er van genoten ga zo door!

Geef een reactie