Een nieuw verbond

Lezingen: Jeremia 13, 31-34 en Johannes 12, 20-33

Vier zondagen heeft het thema van de vieringen gestaan in het teken van het Verbond dat de Eeuwige en de mensen hebben gesloten. Vanmorgen horen we van de profeet Jeremia hoe het Verbond verbroken werd door de mensen. Teruggeworpen op zichzelf rijst de vraag hoe dit toch kon gebeuren. Hoe moet het ooit weer goed komen? Jeremia antwoordt met een droom, een visioen: de beslissende omslag ligt in de hand van de Eeuwige.

In het evangelie van Johannes komen we een heel andere denkwereld tegen. Toch zijn er raakvlakken met Jeremia. Ook Johannes heeft een tamelijk duister beeld over de wereld als zij aan zichzelf wordt overgelaten. Maar ook híj gelooft in de kracht van de liefde. Bij Johannes heeft de beslissende omslag waar Jeremia over spreekt, al plaatsgevonden in Jezus. Onze levenswijze moet dan op de zijne lijken, wil zijn verhaal voortgang vinden.
Is dit haalbaar? We kunnen het tenminste proberen.

Overweging

Het was ongeveer het jaar 600 vóór Christus. De politieke situatie in het koninkrijk Juda is complex. Overheersing vanuit Babylon dreigt. De laatste twee koningen van Juda waren vooral uit op eigen aanzien en zijn meelopers van de grootmachten. In hun koningschap klinkt niets meer door van de eenvoud, moed en wijsheid van David of Salomo. De hoop op een komende Messias verflauwt en wordt niet meer gehoord. Het volk Israël vergeet dan ook langzaam de oude woorden waarmee de Eeuwige ooit een verbond met hen had gesloten.

Er liepen wel profeten rond, zogenaamd in naam van de Eeuwige. Hún woorden klonken veel verleidelijker. Men voelde zich gerustgesteld en bevestigd in een levenshouding die steeds oppervlakkiger werd.

Dan is daar ineens die man, een jonge man nog, die met een juk op zijn schouders door de straten van Jeruzalem loopt. Een bezetene? Een visionair? Een schizofreen? Niets van dit alles.
Hij was een geroepene, een profeet, het was hem overkomen, hij had geen keus. Hij zou de Eeuwige gehoorzaam zijn. Een van geest waren zij, vanaf het begin.

Maar vanaf het begin was hij ook bang: Jong en onervaren wist hij niet wat hij los zou maken. Wat kon hem allemaal overkomen? Jeremia was zijn naam en God was hem te sterk. Zijn roeping won het van zijn angst. Tot afbraak en tot opbouw wordt hij geroepen. Alles wat een mens belemmert, in de weg staat en niet uit God is, moet worden uitgerukt. Het woord van de Eeuwige moet in de harten van de mensen worden geplant en vruchtdragen. Laat je dáárdoor leiden, neem dát juk op je, dát was zijn boodschap. Maar er sluipt twijfel in zijn hart. Waarom gaat het hem slecht, waarvoor eigenlijk die pijn omdat het niet gaat zoals het toch geschreven is in de Thora: er zal recht worden gedaan aan wie onrecht lijdt.

Waar is hij mee bezig? Er is een kracht in hem die hem voortdrijft. God noemt hij het en Zijn woorden branden als een vuur in zijn binnenste. (23,25) Jeremia staat alleen en is bevangen door twijfel.

Je kunt op vele manieren twijfelen: Als je geen krachten meer op kunt brengen om te blijven geloven in dát wat je eens bezielde, kan dat verlammend werken. Als je niet kunt zijn of durft te zijn wie je in wezen bent, omdat verstarde regelgeving in kerk en maatschappij dit belemmert, of omdat anderen je dit niet toestaan kan je dit heel verdrietig maken. Ben je wel de moeite waard? Het kan óók groeien tot een uitdaging om je niet bij bestaande situaties neer te leggen. Zo loopt hij daar zonder enige weerklank te vinden.

De hemel zwijgt en het einde lijkt nabij als het volk wordt weggevoerd als ballingen naar Babylon. Jeremia schreeuwt het uit: “Heer, waarom laat U zich niet zien? Welke antwoorden krijgt hij?
Geen oplossingen. Een God van oplossingen bestaat niet. Geen zachte troost, geen sentimentaliteit.
Ballingschap is een verbroken relatie. Je voelt je ontheemd.

Moeizame, gestoorde, verbroken relaties. Iedereen weet hoe dit voelt en hoeveel verdriet dit met zich meebrengt. In dat verdriet groeit het verlangen naar hetgeen verloren is.

Dan moeten er mensen op je weg komen die dit kunnen verwoorden. Mensen die de taal van de hoop spreken. Zo’n mens is Jeremia geweest en nog véél meer dan dat. Hij sprak in naam van de Eeuwige: het volk was niet sterk genoeg om trouw te blijven aan zijn engagement, de mensen hebben het verbond verbroken. God wil zijn verbond opnieuw sluiten met vernieuwde mensen die wel tot trouw in staat zullen zijn.

De woorden van het Sinaïverbond waren geschreven op stenen tafelen. Dat bleef een uiterlijk gegeven. In de regels en voorschriften, opgesteld door de joodse leiders kon men hieraan gehoorzamen zonder van mentaliteit te veranderen. “Hun mond hebben ze vol over U, maar ze dragen U niet in hun hart”, zei Jeremia. (12.2) Maar voortaan zal de Eeuwige zijn wet in hun binnenste schrijven en in hun hart griffen. In het hart van de mens heeft de Eeuwige zijn verblijf.

Jezus kende de Thora en de Profeten. Hij was er mee grootgebracht, de verhalen over de Eeuwige met zijn weerbarstig volk, verhalen over onderdrukking en bevrijding. Verhalen waarin de mens steeds de geroepene werd om het werk van de Eeuwige uit te voeren. Hij moet zich diep aangesproken hebben gevoeld, het werd zíjn verhaal. De werkelijke bedoeling van de Thora kwam in Jezus volledig tot zijn recht.

In het evangelie van vanmorgen nadert Jezus het einde van zijn leven. Hij wist dat hij ging sterven. Hij was gewaarschuwd. De religieuze leiders verweten hem dat hij zich niet aan de wet hield. Ze bedoelden de letterlijke uitvoering van de wet: de regelgeving gehoorzamen, terwijl het Jezus ging om het hart van de wet.

Toch gaat hij naar Jeruzalem waar hij als een bevrijder wordt binnengehaald: eindelijk een messiaans teken van bevrijding die de joden onder het juk van de onderdrukker zal weghalen.
Dan vindt er een incident plaats dat een keerpunt wordt in het Johannes-evangelie.

Er waren enkele Grieken onder de velen rondom Jezus. Dat is bijzonder want de Griekse Hellenistische cultuur vormde de grootste bedreiging voor de joodse traditie. De komst van de Grieken en hun verwelkoming in de groep rond Jezus betekende een volledige doorbraak. Tot dan toe werd liefde en dienstbaar zijn beperkt tot de eigen kring, maar nu wordt dit opengebroken. Jezus’woorden worden universeel.

Voorzichtig, via de leerlingen, benaderen ze Jezus. Wat willen ze? Ze willen Jezus zien. Zien betekent bij Johannes een begin van geloven. Geloven is een activiteit. De Grieken staan hier voor de vertegenwoordigers uit de wereld met verschillende culturen en stromingen. Waar de leiders van Israël vol ongeloof en achterdocht tegenover Jezus staan, komen de volkeren vragen hem te mogen zien. Jezus is in zijn hart geraakt. Hij is ontroerd.

Op dát moment begint hij te spreken over zijn verheerlijking en die van zijn Vader. Nu is zijn uur gekomen. Daar had hij op gewacht. Dát is het begin van het nieuwe Verbond dat de Eeuwige met mensen sluit. In Jezus sprak het hart van de Thora en dat is: omzien naar de ander in liefde.

In dit verband zegt Jezus dat de graankorrel moet openbreken in donkere aarde om leven te kunnen geven. Openbreken van versteende wetten brengt het hart tevoorschijn. Daar woont liefde. Liefde betekent solidariteit. Oude vastgeroeste regels voorbij, niet weggedaan, maar opnieuw vorm gegeven in deze tijd, in uw situatie, in jouw situatie.

Het is zeker niet toevallig dat ná het evangelie van vanmorgen de beschrijving van de voetwassing komt. Solidariteit is dienstbaarheid. Jeremia en Jezus zijn voortrekkers. Kennen wij ze ook in onze tijd?
Grote namen noem ik:

Diettrich Bonhoeffer
Etty Hillesum
Titus Brandsma
Jan van Kilsdonk
Majoor Bosshardt

Wettische en dogmatische vastgelegde woorden achter zich latend zijn ze in hun hart geraakt, naast de ander gaan staan. Ik noem in dit verband Huub Oosterhuis, die met zichzelf heeft afgesproken nooit te wanhopen aan het visioen dat kerk en maatschappij anders kunnen en daarom op zijn 75e jaar nog steeds gestalte geeft aan de hoop die in hem leeft. In zijn gebeden en liederen wordt het hart van de Thora geraakt: “De weerloze genoemd en allen die hun lot niet kunnen dragen veraf en dichtbij ons.” Huub Oosterhuis die biddend schrijft: “Laat niet de tweede dood over ons komen.”

Bij de kleine namen horen wij. Het verhaal over Jeremia, het verhaal over Jezus, is óns verhaal. Wie kiest voor recht zal geslagen worden. Maar áltijd zal het Pasen worden, de pijn voorbij, de verliezer verheven, een nieuw verbond, gegroeid in harten van mensen.

Maria Schröder
Inspiratiebronnen: Nico ter Linden, ‘Het verhaal gaat’
William Holladay, ‘Jeremia, de profeet die nog spreekt’
Kerugma, het mysterie leven, nr. 2 – 1999-2000

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie