Zomerviering 2008

Lezing: Marcus 2,23-28

Welkom u allen, vanmorgen op deze (zomerse) zondagochtend bijeengekomen in de Boskapel, trouwe bezoekers en zomergasten, om gezamenlijk de gedachtenis te vieren van Hem die ons voorgegaan is op onze weg door het leven. Wie er oog voor heeft vindt langs ’s-Heren wegen kleurige planten en bloemen, die getuigen van de onverwoestbare groeikracht van de natuur. De Vlaamse priester-dichter Guido Gezelle drukte zijn bewondering en dankbaarheid voor al dat moois uit in een kleengedichtje dat hij schreef in 1858:

Mij spreekt de blomme een tale,
Mij is het kruid beleefd,
Mij groet het altemale
Wat God geschapen heeft.

Iets van dat moois vindt u vanmorgen ook hier in de Boskapel: wilde bloemen, geplukt in de vrije natuur rondom Nijmegen, alle liturgische kleuren bijeen.

Het thema van onze agapè-viering is ons dagelijks brood, waarom wij vragen in het gebed des Heren, een vraag die zo alledaags is dat we er niet meer bij stilstaan. Brood is een natuurprodukt van de bovenste plank, samengesteld uit graan, water, gist en zout, niets anders. Jezus noemt in zijn verhalen deze vier oerprodukten van de schepping herhaaldelijk en geeft ze dan in zijn parabels en prediking een centrale plaats en betekenis. Brood: alle dagen op onze tafel, ook hier in de Boskapel bij onze vieringen. Brood voor onderweg, om te geven en te krijgen.

Dat het ons goed mag bekomen !

Overweging

De evangelist Marcus roept in de evangelielezing van zoëven zo’n vredig beeld op: Jezus loopt met zijn leerlingen tussen de korenvelden door, en zij plukken her en der rijpe korenaren om de graankorrels fijn te wrijven en op te eten, want ze hebben honger. Ze proeven van de vruchten der aarde, het smaakt hun. Het is sabbat, en ook de farizeeën zijn op pad en houden Jezus en zijn volgelingen scherp in de gaten. Wat ze de leerlingen zien doen is niet geoorloofd: ze overtreden het gebod van de sabbatsheiliging, dat zegt dat er op sabbat niet gewerkt mag worden. En aren plukken is oogsten, en oogsten is werken! De farizeeën, letterknechten als zij zijn, spreken Jezus er op aan: “Waarom doen uw leerlingen iets dat op sabbat niet ma ?”

Volgens goed-joodse, rabbijnse gewoonte antwoordt Jezus met een wedervraag: “Hebben jullie dan nooit gelezen wat David deed toen hij en de zijnen in nood verkeerden en honger hadden? Hij ging het huis van God binnen en at van de toonbroden waarvan alleen de priesters mogen eten, en hij deelde er van uit aan zijn metgezellen.” De conclusie is duidelijk: De sabbat is er voor de mens en niet omgekeerd. In onze dagen deed bisschop Muskens van zich spreken toen hij verklaarde dat O.L. Heer het niet erg zou vinden als een arme die zijn of haar kinderen niet kan voeden een broodje wegneemt. Hij wilde er niets anders mee zeggen dan dat het recht op leven belangrijker is dan het recht op eigendom. Maar de goegemeente protesteerde heftig tegen deze uitspraak, want stelen mag toch niet ? !

Brood: een onderwerp dat in de Bijbel talloze malen wordt aangesneden; het is een produkt van Moeder Aarde dat herkenbaar en vertrouwd is. Graan, water, gist en zout: dat zijn de ingrediënten van een eerlijk stuk brood. Het graan wordt gezaaid in de aarde, en het is de Schepper die de wasdom geeft. Zonder water geen leven, het verdort en sterft af. Zonder gist geen groei; alle meel moet immers doordesemd worden en lucht krijgen. Zonder zout geen smaak, zout voorkomt bederf en prikkelt de tong.

Na de wonderbare broodvermenigvuldiging komen de Joden een dag later Jezus opnieuw opzoeken, en dan spreekt hij weer over brood, niet het produkt van de bakker, maar het ware brood uit de hemel, dat leven geeft aan de wereld. “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald”, zegt hij dan. “Wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld is mijn lichaam.” Die woorden zijn voor de Joden moeilijk te vatten, en velen keren zich dan van hem af.

Brood overstijgt in deze beeldspraak de functie van voedsel dat wij elke dag nodig hebben. Het wordt tot een symbool van het leven dat wij met elkaar delen. Het is het brood dat gebakken is van het graan waarvan het zaad in goede aarde gevallen is. Van dat zaad zei Jezus in een van zijn gelijkenissen dat het vrucht draagt, overvloedig vrucht, hier dertigvoud, elders zestigvoud en weer ergens anders zelfs honderdvoud.

Als dát brood ons dagelijks voedsel kan zijn, als wij dát brood met elkaar delen, komt het met het leven in de wereld wel goed. Het is het brood van de saamhorigheid, van zorg en aandacht voor elkaar, van solidariteit en van verdraagzaamheid. Het is, zoals wij op Witte Donderdag zingen, het brood dat naar mensen smaakt.

Ook als er reden is tot vreugde en dankbaarheid kunnen wij het dagelijks brood delen. Jezus geeft ook daar voorbeelden van in zijn verhalen aan de Joden, zoals dat van de vrouw die 10 drachmen had en er één kwijtraakte. Ze stak de lamp aan, veegde haar hele huis schoon en zocht net zo lang tot zij het muntstuk gevonden had. Toen riep zij haar buren en vriendinnen bij elkaar en nodigde ze uit om in haar vreugde te delen. Meteen daarna vinden we bij Lukas het verhaal van de verloren zoon. De vader richt een groot feest aan als zijn jongste zoon na jaren van zijn dwaalwegen weer terugkeert. De oudste zoon, die altijd een oppassend leven geleid heeft voelt zich verongelijkt als hij, terugkerend van zijn dagelijks werk op het land, in de verte het feestgedruis hoort en verneemt waarom er gefeest wordt. Desgevraagd verklaart zijn vader: “We konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen.” Reden genoeg tot het delen van het brood van de dankbaarheid en de vreugde!

Brood op tafel: zo vaak komt de vraag op of wij al dan niet een plaats aan tafel willen inruimen voor medemensen die hongerig zijn. Je kunt die vraag letterlijk opvatten tegen de achtergrond van het harde feit dat meer dan de helft van de wereldbevolking in behoeftige omstandigheden verkeert of ronduit honger lijdt. Dat probleem gaat onze aanpak dicht bij huis te boven, alle acceptgirokaarten en collectebussen ten spijt.

Er zijn in eigen omgeving ook mensen die hongeren naar het dagelijks brood van zorg, aandacht en medeleven. Eenzame mensen willen niet alleen iets over hun narigheid kwijt, maar ook als zij iets moois en iets goeds beleefd hebben. Ze willen hun vreugde en blijdschap delen met hun omgeving. Al laten ze het niet merken, ze hongeren soms naar aandacht en belangstelling. Wie van het brood van die belangstelling uitdeelt, ook al is het maar mondjesmaat, weet en ervaart dat zulk brood wederkerig goed bekomt. En bij alles wat je op tafel zou kunnen zetten moet je maar bedenken dat kruimeltjes óók brood zijn.

Koen van Rossum

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie