Op de goede weg

Lezingen: 1 Kor 1, 26-31; Matt. 5, 1-12

“De goede weg”, is het thema van deze viering. Jezus plaatst hier wegwijzers waar je niet om heen kunt. Ze zijn samengevat in de bergrede. Sommigen hebben er een boodschap in gehoord die ze herkenden als zeer actueel en relevant voor hun eigen situatie. Bij anderen kwam het over als een wereldvreemd geluid in de maatschappij die andere eisen aan mensen stelt. Deze uitspraken van Jezus hebben mensen zowel binnen als buiten de kerk, nooit met rust gelaten. Eigenlijk staat in beide lezingen vanmorgen de roeping van de mens centraal. Welke uitwerking kan dat hebben? Hoé eenvoudig van hart, zachtmoedig en barmhartig durf je te zijn?

Overweging

Iedere avond krijgen we in het journaal te zien hoeveel geweld en menselijk leed er weer opnieuw bij gekomen is na gisteren. Soms blijft er iets hangen: het beeld van de brand in een gevangenis op Schiphol in november 2005, de slachtoffers van de tsunami 2 jaar geleden.

Je gedachten kunnen ook de andere dag nog eens gaan naar die babietjes te vondeling gelegd, naar de radeloosheid van de moeders. Als je dan de zaligsprekingen in Mattheus leest, begrijp je er niets meer van. Hier worden nu precies dié mensen zalig geprezen die niemand benijdt.

Wat is hier aan de hand? Hoe heeft Jezus déze mensen, de armen, de treurenden gelukkig kunnen noemen? Ik ga even terug naar het ontstaan van deze tekst. Zoals ze in de bergrede van Mattheus zijn opgeschreven, zo zijn ze niet letterlijk door Jezus uitgesproken. Mattheus schreef zijn evangelie rond het jaar 80 na Chr. Hij maakte daarbij gebruik van in omloop zijnde samenvattingen van Jezus’ preken en leergesprekken en misschien ook van de teksten van de evangelist Marcus.

Verschillende stukken die bij Mattheus staan, vinden we ook terug bij de evangelist Lukas. Lukas was een arts en hij laat zich in de zogenoemde veldrede: (Lukas 5, 20-26) in veel scherpere bewoordingen uit over de materiële ellende van mensen. Hij werd daarmee geconfronteerd op zijn reizen vooral in de grote steden. Mattheus legt eigen accenten door de nadruk te leggen op het innerlijke vlak, de spirituele houding van de mens die echter uiteindelijk in daden zichtbaar moet worden! Je zou ook kunnen zeggen dat Mattheus deze rede presenteert als een soort testament dat Jezus heeft nagelaten. De eerste zin van de zogenaamde bergrede doet wel wat vreemd aan: “Toen Jezus de mensenmassa zag ging hij de berg op.” Het wekt de indruk dat hij voor hen wegloopt. Maar hij gaat zitten als een echte rabbi met zijn leerlingen dicht bij hem.

Jezus gaat de berg op, de plaats waar de ontmoetingen met God plaats vinden.

Elia ging de berg op. Mozes deed dat ook. Door de berg op te gaan laat Jezus als het ware opnieuw het licht schijnen over het Verbond, laat hij zien dat de belofte van het Verbond tussen God en mens nog steeds actueel is. Hij kijkt niet op de mensen neer vauit de hoogte. Hij ziet vanuit deze positie des te scherper wie die mensen zijn: armen, rijken, geletterden, ongeletterden, vrouwen, mannen, oud en jong, kortom een vertegenwoordiging uit heel Israël.

In deze mensenmassa waren er zeer velen die niets te verliezen hadden, mensen die gebukt gingen onder hunlot. In het hebreeuws: de “anawim”, dat letterlijk de gebogenen betekent. Gebukt onder het juk van de regels van de farizeeën, uitgebuit door tollenaars en het politieke regime, verstoten door de melaatsheid, ziekte, prositutie. Mensen die gewoner zijn dan gewoon.
Alle menselijke ontoereikendheid wordt in hen duidelijk. Hén heeft Jezus op het oog.

Maar er wordt met het begrip “anawim” tegelijk een geestelijke houding bedoeld: de houding van mensen die in alle bescheidenheid bidden om hulp: wees hier aanwezig, Eeuwige, wees er.

Beide betekenissen blijven door elkaar lopen. Die houding van gebogenheid vraagt het uiterste van een mens: in je armoede, onderdrukking zacht blijven voor je onderdrukkers, zónder door de knieën te gaan. Zoals Henriëtte Roland Holst schrijft: “de zachte krachten zullen zeker winnen in ’t eind.” Het lijkt of Jezus hierop een beroep doet als hij de mensen zegenend begint toe te spreken: In het hebreeuws staat er: baruch. Dat betekent: zalig, wees gezegend. Niet omdat je arm of verdrietig bent maar omdat je dicht bij God bent. Altijd is er weer de verleiding om er iets moois van te maken, om de woorden te lezen zonder dat ze het gewone bestaan raken. Het gaat hier echter om de nood-situatie waarin mensen zich bevinden. Er wordt niet gezegd dat ze er maar in moeten berusten. Ze worden opgeroepen vooruit te kijken want het zal goed komen. God staat daar borg voor. En niet over een tijdje, maar: nu. Eerst zien en dan geloven, moeten deze mensen hebben gedacht. Het is alsof Jezus nu een wissel overhaalt. Het beeld gaat verschuiven.

In de tweede vier zaligsprekingen gaat het niet allereerst meer om de situatie van mensen maar om hun houding. Nu gaat het om mensen die in hun doen en laten iets terugkaatsen van dat licht van die zegenwensen. Die mensen zijn er: de barmhartigen, de mensen die al te goed, soms een beetje gek zijn. De zuiveren van hart, de idealisten die onbevangen de ander helpen, de vredestichters in het groot en in het klein. God kan niet zonder hen. Daarom zijn ook zij zalig te noemen want ze zijn op de goede weg.

Kan een mens in z’n eentje al die zaligsprekingen uitvoeren? Ik denk van niet. De bergrede is dan ook niet aan de enkeling maar aan de gemeente gegeven. Er wordt een groep aangesproken en wel die groep die bereid is naar Jezus’ woorden te luisteren. Het is een klemmende oproep om er in de praktijk ernst mee te maken. Daarmee kunnen we niet heen om beslissingen, veranderingen op politiek en maatschappelijk terrein. Anders blijven deze zaligsprekingen onverstaanbaar. Dan worden we geconfronteerd met:

  • het Liliane fonds
  • artsen zonder grenzen
  • de vredesweek
  • ontwikkelingssamenwerking
  • de voedselbanken
  • de stille armoede
  • de rechten van het kind
  • de dierenbescherming
  • milieudefensie

Wie andere waarden voorstaat dan de gangbare, kan als subversief worden beschouwd. Dat brengt risico’s met zich mee, kijk maar naar het lot van de profeten en van Jezus zelf. Het vraagt dan ook veel moed en durf om tegen de stroom in te gaan als dit van je wordt gevraagd.

Baroech, gezegend ben jij in je verdriet, in je tekort want de Eeuwige is om je heen. Baroech, gezegend ben jij die de weg van Jezus durft te gaan om de Eeuwige handen en voeten te geven. In jullie beiden gebeurt het Rijk van God: de hemel op aarde

Maria Schröder
Inspiratiebronnen: J. Tigcheler: ‘De bergrede’
F. Boerwinkel: ‘Meer dan het gewone’
W. R. van der Zee: ‘Uit de bergrede’

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie