Hier is brood voor niets

Lezingen: Jesaja 55, 1-3, Matteüs 14, 13-21

Welkom allemaal hierheen gekomen en de vrede van Jezus Christus moge met ons zijn. Welkom voor een moment van rust, een moment van inkeer, dat iedereen nodig heeft, ook nog als we vakantie hebben. Om te leren leven en te zien wat vrede vraagt.

De evangelielezing van vandaag heeft een vakantiethema: een zorgeloze picnic in het gras. Ten minste: voor de mensen die Jezus uit de steden achterna getrokken zijn. Voor de leerlingen ligt het wat anders, die zijn bezorgd, want de catering is niet in orde: er zijn maar vijf broden en twee vissen. En Jezus komt niet toe aan zijn geplande moment van inkeer.

De afgelopen zondagen hoorden we Jezus vertellen over het Koninkrijk. En als we luisteren naar het verhaal dat we vandaag horen, over deze picnic, het verhaal van de broodvermenigvuldiging, dan mogen we dat misschien nog in gedachten houden. Misschien geeft het thema van het Koninkrijk ons een goede sleutel tot dit verhaal.

Vandaag is er een agapèviering, geen eucharistieviering. Dat betekent dat er vandaag twee leken voorgaan, Annemiek Alferink en ik, en dat we vandaag brood en honing met elkaar delen, een herinnering aan de vriendenmaaltijden van de eerste christenen, en misschien ook een beetje aan die picnic in het gras.

Overweging

Iedereen at en werd verzadigd. Een wonder! Maar wat betekent dat wonder? Want het belangrijkste van een wonder is dat we met elkaar delen wat die gebeurtenis, die we “wonder” noemen, voor ons betekend heeft, wat we eraan beleefd hebben. Zo is het ook met dit verhaal: het wil ons vertellen wat Jezus voor ons kan betekenen, als we hem willen volgen. Zoals de mensen toen.

Omdat we de vorige zondagen hoorden hoe Jezus predikte over het Koninkrijk van God, of het Koninkrijk van de Hemel, zoals Matteüs het noemt, is het verleidelijk om een verband te zien tussen dit verhaal en die verhalen. En dat verband is er ook. Toch mogen we niet vergeten dat we twee verhalen overgeslagen hebben. Het eerste is dat van Jezus die in zijn vaderstad aankomt en daar miskend wordt, zodat hij daar niet veel wonderen kon doen. Het tweede verhaal betreft de opmerking van Herodes dat Jezus misschien de opgestane Johannes de Doper is en de terugblik op de dood van Johannes de Doper, vermoord op bevel van diezelfde Herodes. Het verhaal van Jezus is geen ongestoord succesverhaal. Zijn stadgenoten moeten hem niet, en de machthebbers krijgen hem in het oog.

Toen Jezus hiervan hoorde, week hij per boot uit naar een afgelegen plaats waar hij alleen kon zijn. Anders dan Johannes, die Herodes blijkbaar publiekelijk de les las over zijn levensstijl, trekt Jezus zich terug. Waarschijnlijk heeft hij behoefte aan bezinning. Waar gaat het hem om? Wat moet hij met zijn leven? Moet hij nu de rol van Johannes overnemen en Herodes de les gaan lezen? Moet hij die confrontatie zoeken? Maar zijn hele weg, zoals Matteüs die tekent, gaat op dit moment van zijn leven juist van de stad naar het platteland, naar de mensen die aan de rand leven, niet in het centrum van de macht. En de mensen trekken hem, uit de stad, zelfs achterna. Voor hen is hij op de goede weg, ze willen hem volgen. “Over land”, zegt de vertaling, “te voet”, zegt de Griekse tekst. Zouden er echt geen slimmerikken geweest zijn die een bootje wisten te bemachtigen? Vast wel. Maar daar gaat het Matteüs niet om. Het gaat hem om de omweg, de weg te voet langs de stoffige wegen, die mensen willen gaan om Jezus te volgen.

Je ziet het bijna voor je: Jezus wil zich terugtrekken, alleen, wil bidden, mediteren, nadenken, en voordat hij goed en wel aankomt arriveren de eerste mensen, en dan nog meer en nog véél meer. Daar gaan de rust en de stilte. Wie zou er niet geïrriteerd zijn? Maar er staat: hij voelde medelijden met hen en hij genas hun zieken. Hoeft hij dan niet meer alleen te zijn? Laat hij zich leven? Of misschien realiseert hij zich, als hij die menigte mensen ziet: “Dit is mijn weg; dit is de goede weg.” Niet in het centrum van de macht, bij mensen die zelf alle plaats in beslag nemen, maar ver daarvandaan, dichtbij mensen die ziek zijn en geen plaats mogen hebben. Hun zoeken en hun lijden laat Jezus de weg zien die hij moet gaan.

De avond valt en nog is Jezus bezig. De leerlingen zien het probleem: “Stuur de mensen weg, laat ze naar de dorpen gaan om eten voor zichzelf te kopen.” Dat is verstandig. De mensen zijn moe, ze hebben honger, er is hier niets. Maar Jezus zegt: “Ze hoeven niet weg, geven jullie hun maar te eten.” “Ze hoeven niet weg.” Ze hebben hem met veel pijn en moeite gevolgd, ze zijn de hele dag bij hem gebleven. Zal Jezus deze mensen wegsturen? Waar moeten ze heen? Ja, naar de dorpen. Ja, terug naar hun huizen. Maar eigenlijk hebben deze mensen geen plaats. Jezus weet dat. Jezus ziet dat. Hij kán ze niet terugsturen.

Maar daarmee is het probleem dat de leerlingen zien niet opgelost. Ze hebben maar vijf broden en twee vissen voor die hele mensenmenigte. “Geef maar aan mij”, zegt Jezus. En hij spreekt de zegenbede uit en breekt het brood, en iedereen wordt verzadigd.

Wat gebeurt hier? Een wonder. De woorden van Jesaja worden waar: hier is brood voor niets. Luister aandachtig, en je zult ruimschoots te eten hebben. Maar wat betékent dat wonder? Het betekent dat mensen in Jezus geloven, want waar dat niet zo is, zoals in zijn geboorteplaats, doet Jezus geen wonderen. En laat dit wonder ons ook niet terugdenken aan Jezus’ parabels over het Koninkrijk van God? Daar groeit een mosterdzaadje uit tot een boom waarin vogels zitten te zingen. Daar laat een beetje desem deeg van drie zakken meel rijzen. Dat zijn geen verhaaltjes. Hier zie je gebeuren hoe iets kleins groot wordt. Iedereen wordt verzadigd en er blijven 12 manden brokken over. Als mensen Jezus volgen, hóren ze niet van het Koninkrijk, ze beléven het Koninkrijk. En later kijken ze erop terug, zoals Matteüs, in vreugde en verwondering. En ze blijven ervan meedelen. En ze blijven ervan overhouden.

En wij? Wat kunnen wij met dit verhaal? Ook wij kunnen Jezus volgen. Dat kan hier en nu, als we oog hebben voor elkaar en in elkaar geloven. Dat kan gebeuren als we oog hebben voor de nood van de ander. Door te helpen, te troosten, iemand anders erbij te halen als het ons zelf boven het hoofd groeit. Als we actie voeren tegen honger en onrecht.

Dat kan als we niet eerst kijken of we wel genoeg in huis hebben, maar gewoon beginnen. Niet om wonderen te doen, maar om elkaar te helpen, er voor elkaar te zijn. Dan kunnen we later terugkijken in vreugde en verwondering.

Amen.

Karel Peijnenborg

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie