Bewaar hen in uw hand

Lezingen: Handelingen 1, 12-14; Johannes 17, 1-11

De evangelielezing van vanmorgen wordt ook wel het hogepriesterlijk gebed genoemd. Het evangelie is geschreven vanuit de situatie op het eind van de eerste eeuw.

Het werk, de taak die Jezus op zich had genomen is bijna volbracht. Het gaat nu naar een hoogtepunt: het uur dat gekomen is om naar de Vader te gaan. Het uur wordt bij Johannes altijd in overdrachtelijke zin gebruikt. Het is dit uur van sterven waar het nu om gaat. Sterven is: overgaan naar de Vader, omhooggeheven worden. Verheerlijkt worden. In dit uur komt tot uiting wat Jezus bedoelt met leven geven en in dit uur wordt Jezus verheven, niet erná. Jezus bidt dan ook: “Vader, nu is de tijd gekomen, toon nu de grootheid van Uw Zoon, verhef mij nu tot U.” Jezus bidt dat de leerlingen bewaard mogen worden in de grote hand van Zijn Vader en dat ze één zijn zoals hij een is met de Vader.Wat Jezus vraagt is eigenlijk ook de diepe wens van de schrijver voor zijn gemeente: dat ze God kennen en hem die zich gezonden weet door God: Jezus-Christus.

Nu zijn uur nadert keert Jezus zich tot zijn Bron. In een persoonlijk gebed maakt hij als ’t ware de balans op, zoals iemand die weet dat het sterven nabij is, het leven aan zich voorbij laat gaan.

Niet zozeer de gebeurtenissen zijn hierin belangrijk maar de intentie waarmee je iets hebt gedaan, de gevoelens en gedachten die je erbij hebt gehad. Wat is er terecht- gekomen van je dromen, idealen, ben je trouw gebleven aan je diepste bedoeling, aan je Bron?: God, Vader, Moeder, Geheim, Mysterie, Bron van Leven, trouw aan het Goede? Jezus is trouw gebleven aan de opdracht die hij van de Vader had ontvangen.

“Vader, ik heb Uw kracht uitgestraald door de taak te volbrengen die U mij gegeven had, nu bid ik voor hen die U mij gegeven hebt.” Het woord geven komt elf keer voor in dit gebed en vormt dan ook een centraal begrip. Als je de tekst vanuit dit woord leest, komt Jezus over als iemand die weet dat hij niet vanuit zichzelf leeft. Hij is zich heel sterk bewust van de krachten die hem gegeven zijn door de Vader. Met dit gezag van binnenuit heeft hij zijn taak kunnen vervullen “dat zij U kennen” en dát is het eeuwig leven. Dit vers vormt het hart van de tekst.

Eeuwig leven is bij Johannes níet het leven na de dood. Het voltrekt zich in het hier en nu, in het garant staan voor elkaar. De leerlingen zullen nu zélf moeten leven vanuit hun verbondenheid met de Vader, Bron van Leven.

“Keer terug naar je hart en zie daar wat je wellicht gewaar wordt van God, want daar bevindt zich het beeld van God.” zal Augustinus 400 jaar later in een van zijn preken schrijven.

Als je je bewust wordt dat je beeld van God mag zijn, door mag geven van hetgeen jij uit de Bron put, zal dat hartverwarmend en inspirerend werken. Zo draag je zorg voor hen die joú gegeven zijn. Zo breng je je mensen bij hun eigen bron.

Het besef dat, wie je bent en wat je kunt, dat dat niet je eigen verdienste is, maakt bescheiden. Maar ook gelukkig omdat je mag delen in dát wat eeuwig leven wordt genoemd in dit evangelie.

Hoe moet het dan met de mensen die dit niet kunnen ervaren omdat hen maar weinig gegeven is? Mensen die niet talentvol zijn, mensen met een lichamelijke ofverstandelijke handicap, mensen met een groot minderwaardigheidsgevoel, mensen die verhard en verbitterd zijn geraakt door het leven, de verslaafden, de randfiguren. Is die bron dan nog te ervaren als vertrouwd, nabij en goed? Is de Oergrond van alles dan nog te ervaren als Liefde, zoals de mystieken zeggen?

Ik denk van wel, maar er moet wel iets zijn, diep in je, dat zegt dat je mag zijn die je bent, omdat jij jij bent mét je beperktheden, mét je handicap, mét je geaardheid, mét je onafheid. Maar ook dié ervaring moet je gegeven worden door mensen om je heen, door de bron in jezelf. Soms moet je het gewoon maar over-geven in diep gelovig vertrouwen. Bij het ontruimen van mijn ouderlijk huis na het overlijden van mijn moeder, die veel met ons haar kinderen, heeft meegemaakt vond ik in een gebedenboekje een krantenartikeltje.

Een gebed, uitgeknipt, vergeeld maar duidelijk te lezen:

Gebed voor mijn kinderen
Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen
graveer Gij ze daarin met onuitwisbaar schrift.
Dat niets of niemand ze meer ooit daaruit kan branden,
ook niet als satan ze straks als de tarwe zift.

Houdt Gij mijn kinderen vast als ik ze los moet laten,
en laat altijd Uw kracht boven hun zwakheid staan.
Gij weet hoe mateloos de wereld hen zal haten,
als zij niet in het schema van de wereld zullen gaan.

Ik vraag U niet mijn kinderen elk verdriet te sparen,
maar wees Gij wel hun troost als ze eenzaam zijn en bang.
Wil omwille van Uw naar hen in Uw verbond bewaren
en laat ze nooit van U vervreemden, nooit, hun leven lang!

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.
Amen.

Maria Schröder
Inspiratiebron: Jo Tigcheler: Jezus, hoe hij staande bleef

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie