Rijk bij God

Lezing: Lucas 12, 13-21

In het evangelie heeft Jezus het minstens vier keer over rijkdom, over rijke mensen en hun geld en wat dat voor uitwerking heeft op hun doen en laten. Geld en goed, bezit en rijkdom: het zijn zaken die tot de verbeelding spreken en altijd weer aanleiding geven tot gesprekken en commentaar. In een eerder hoofdstuk van het Lucasevangelie feliciteert Jezus in de bergrede als het ware de armen: “Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God.” Jezus zal als zoon van een ambachtsman niet gehinderd zijn door aardse rijkdom, hij was geen man van de wereld, en hij had een boodschap die verder reikt dan aardse zaken en belangen.

De rijken komen er niet goed af; in dezelfde rede spreekt hij onheilspellende woorden tot hen: “Wee jullie die rijk zijn, jullie hebben je deel al gehad.”

In de gelijkenis die wij zoëven hoorden noemt Jezus de rijke zelfs een dwaas, een man die – zoals het ook in de veertiende psalm te lezen is– van God los is. Daarom overlegt hij ook alleen bij zichzelf. Lucas laat hem zes maal ik zeggen en vier maal mijn. De dwaas staat er geen ogenblik bij stil dat, als het er op aankomt, hij geen korrel graan kan laten groeien. De gaven van de oogst worden hem door Gods toedoen om niet geschonken. Toch komt de gedachte wat hij daar als teken van dankbaarheid mee zou kunnen doen niet bij hem op. Hij is er alleen op bedacht hoe hij zijn bezit kan vasthouden en vermeerderen.

Hij gaat er van uit dat zijn ziel, zijn leven, eveneens tot zijn bezit behoort. Zijn materiële rijkdom is even groot als zijn geestelijke armoede, hij peinst er niet over om iets van zijn overvloed met anderen te delen. En wat een absurde gedachte dat dit luxe leventje nog vele jaren zal duren ! En wat zegt God tot hem? “Binnen 24 uur zal je leven worden teruggevorderd. Voor wie zijn dan de schatten die je hebt opgeslagen?”

De conclusie van Jezus is duidelijk: Zoals het die rijke man verging, zo vergaat het eenieder die slechts voor zichzelf schatten verzamelt en zo doende niet rijk is bij God.

Dat het ook anders kan als je rijk bent, bewijst het verhaal over Jacob Gelt-Visser, een man die een vermogen heeft verdiend in de platenindustrie. Hij trok naar Suriname, naar Paramaribo, en ging wonen in een van de sloppenwijken waar veel armoede en werkeloosheid heersten. De mensen daar hielden zich in leven met handel in drugs. Hij kocht een grote hoeveelheid bezems en begon eigenhandig het vuil van de straten op te ruimen. Toen de wijkbewoners hem bezig zagen en ontdekten dat hun wijk ook schoon kon zijn, deelde Jacob overal bezems uit en startte zo een grote schoonmaakoperatie. De vegers kregen dagelijks een bescheiden loon. Hij stelde geld ter beschikking voor het opknappen van de huizen, liet nieuwe woningen bouwen en van lieverlee onderging de hele wijk een metamorfose. Er werd een hotel gebouwd, er kwam meer groen, wijkbewoners werden opgeleid tot hotelpersoneel. Zo werd de wijk gaandeweg een trekpleister voor toeristen. Dat is een hartverwarmend relaas over een rijke man die het hart op de juiste plaats had.

Al in de eerste regels van de gelijkenis over die dwaze rijke man legt Jezus de nadruk op de betrekkelijkheid van bezit en waarschuwt hij de toehoorders voor hebzucht. In onze dagen geldt die boodschap nog immer. Wie een straatje om gaat krijgt op maxi-formaat de schreeuwende tekst onder ogen die kans op een mega-jackpot van 14,2 miljoen belooft als je deelneemt aan een loterij of, iets minder: de somma van 8,2 miljoen. Bedragen om letterlijk gek van te worden ! Zo zit de rijke wereld nu eenmaak in elkaar, zou je denken. Wij maken ons aan de andere kant ook druk om de beloning die iemand uit het bedrijfsleven na gedane zaken heeft opgestreken: 80 miljoen. Zou zo iemand daar echt gelukkig mee zijn ?

Van Hollandse nuchterheid getuigt dan ook als waarschuwing de krasse uitspraak: “Heden rijk, morgen slijk.” De parabel uit het evangelie samengevat in vier woorden!

De gelijkenissen waarin Jezus zijn heilsboodschap vaak verpakt hebben grote zeggingskracht. Wie kent niet de parabel over het Koninkrijk Gods, waar ook geldelijk bezit genoemd wordt: de heer die zijn knechten vóór hij op reis ging zijn geld in beheer gaf: de één kreeg 5, de ander 2 en een derde knecht 1 talent, ieder zoveel als hij aankon. (Omgerekend zou een talent nu zo ongeveer 10.000 euro waard zijn). Naar dit verhaal is het begrip talent in overdrachtelijke zin ontstaan: de gave, de bekwaamheid, de aanleg tot menselijk kunnen en presteren. Met die rijkdom is niks mis, er moet in tegendeel mee gewoekerd worden. Of het nu is in de zorg voor de medemens, in de ontwikkeling van schoonheid in taal of beeld, kleur of klank, in onderwijs en wetenschap: talenten, de gaven van hoofd en hart, zijn overal inzetbaar. Het zijn investeringen die veel opbrengen. Wie solidair wil zijn met de medemensen laat zulk kapitaal niet liggen. Zo kun je schatten verzamelen die niet door roest of mot weggevreten worden, wat wel gebeurt als je materiële, zuiver aardse schatten verzamelt. Ook dat is duidelijke taal van Jezus.

De parabels waarin hij het heeft over rijkdom en waarin hij zich tot de rijken richt, sluiten naadloos op elkaar aan. Wat wij als talenten hebben meegekregen, moeten wij als goede rentmeesters beheren, zodat wij ze bij de terugkomst van de Heer van het koninkrijk Gods met rente kunnen teruggeven. En wie zou dan met lege handen willen staan ?

Koen van Rossum

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie