Over engelen gesproken

Engelen? Zou daar nog iets zinnigs over gezegd kunnen worden? Ja zeker! Maar dan moet er eerst een horde genomen worden. Die horde bestaat hierin dat je zogenaamde objectieve vragen stelt over engelen, duivels, hemel, hel en “leven na de dood”. Vragen als: bestaan engelen wel? Hoe groot is het aantal engelen? Hoeveel engelen kunnen er op de punt van een naald? Duivels zijn, zo werd ons geleerd, “gevallen engelen”, maar wanneer zijn deze in opstand gekomen tegen God? (Vgl. Lucifer van Joost van den Vondel). Ook engelen zijn door God geschapen: zijn deze geschapen vóór de wereld geschapen werd?

Dit zijn allemaal objectieve vragen en daar moet je je los van maken. Op al deze vragen kun je geen antwoord geven; je kunt ze noch bevestigen noch ontkennen. Als zulke vragen gesteld worden, geef je niet thuis. Is daarmee de kous af? Integendeel! Eerder wordt nu ruim baan gegeven om onbevangen over engelen te spreken vanuit de bijbelse, gelovige traditie en vanuit de eigen geloofservaring en –beleving.

Ons woord engel is afgeleid van het Griekse woord angelos, dat boodschapper, berichtgever, nieuwsbrenger, gezant betekent. In het Grieks had angelos al een sacrale betekenis, en dat is wellicht de reden dat het als vertaling kon gelden van het Hebreeuwse mal’ak. Deze is een gezant van Jahweh die een goddelijke boodschap bracht bij de mensen. Maar in tegenstelling tot een profeet is hij geen historische persoon, geen mens van vlees en bloed. En ook houdt zijn boodschap geen bedreiging en oproep tot bekering in.

Het bekendste voorbeeld van zulk een boodschap is die van de engel Gabriël aan Maria (Lk 1, 26-38). Het is de aankondiging van de geboorte van een vorst, een koning, “uit het huis van David”. In de gunst zal hij staan van God: “Hij zal zoon van de Allerhoogste worden genoemd.” Zulke geboorteaankondigingen door een engel of door bepaalde voortekens kwamen in het Oude Testament al vaker voor.

Een andere functie van een engel bestaat hierin dat hij hulp en goede raad geeft, vooral aan reizigers, mensen die onderweg zijn. Het bekendste in deze is het verhaal van Tobias (uit het Boek Tobit): deze krijgt van zijn vader Tobit de opdracht om het geld op te halen dat hij ver weg aan iemand in bewaring had gegeven. Als hij zich op weg begeeft, vindt hij Rafaël als reisgezel, “deze was een engel, maar Tobias wist dat niet” (Tobit 5,5). Rafaël staat hem met raad en daad bij, en wanneer Tobit en Tobias hem na de terugkomst willen bedanken, maakt hij zich bekend. Daarop is hij plotseling verdwenen.

Hier zie je al dat iemand die hulpvaardig is en goede raad geeft “engel” wordt genoemd. Ook in onze tijd komt dat nog voor. Heeft iemand van de lezers ook zo’n engel ooit op zijn levenspad ontmoet? Hebben ouders onder u wel eens tot een van hun kinderen gezegd: jij bent een engel?

Engelen vormen, om zo te zeggen, de hemelse hofhouding van God; zij bezingen Gods heiligheid en zingen Hem lof toe, vaak naar aanleiding van een belangrijk gebeuren, zoals de geboorte van Christus. Als een engel aan de herders de geboorte van Christus heeft vermeld, voegt zich een hele schare engelen bij hem en zij prijzen God: “Eer aan God in de hoge hemel en vrede op aarde aan de mensen die in Gods gunst staan.” (Lk. 2,14) Engelen vormen aldus de verbinding tussen God en de mensen, tussen God en de wereld.

Bekend is ook het roepingsvisioen van de profeet Jesaja in de tempel: ik zag, zegt hij, de Heer hoog op een troon gezeten, in vol ornaat. Engelen in vurige gedaanten waren boven zijn troon en riepen elkaar toe: “Heilig, heilig, heilig is Jahweh van de hemelse machten; heel de wereld is vervuld van zijn heerlijkheid.” (Jes. 6, 3) Daarna ondergaat Jesaja de ritus van het profetenambt, doordat een van de engelen zijn tong aanraakt met een gloeiende kool.

Vooral in de apocalyptische literatuur vinden zulke grootse, indrukwekkende hemelse taferelen plaats. Niet alleen wanneer een gelukkige gebeurtenis plaats vindt, maar ook waar Jahweh een vonnis voltrekt. Engelen treden op als uitvoerders van Gods veroordeling: vandaar dat engelen soms afgebeeld worden met het zwaard in de hand. Het betreft hier een bovenwerelds gebeuren, maar welke zich wel in de wereld, in de geschiedenis voltrekt.

Engelen zijn om zo te zeggen van een andere wereld: als zodanig stralen ze zuiverheid uit en onschuld. Dat is een van de redenen dat kinderen in hun onschuld engelen worden genoemd. De eucharistieviering bij de uitvaart van een gestorven kind werd en wordt nu nog “engelenmis” genoemd. En in de schilderkunst worden engelen (engeltjes) vaak afgebeeld als naakte kinderen met vleugels. Maar als ik denk aan die vele beelden, plafondschilderingen en fresco’s in de barokkerken, voel ik me toch ver verwijderd van de bijbelse opvatting en belevingswereld.
Ten slotte wil ik nog even iets zeggen over de Ark van het Verbond. Zij werd vervaardigd als teken van het verbond van Jahweh met zijn volk. Het was een kostbare kist, met goud belegd, die werd meegedragen met het leger, als Israël ten strijde trok tegen zijn vijanden. Dit gebeurde, voordat de ark zijn vaste plaats kreeg in het Heilige der Heiligen, het meest inwendige deel van de tempel in Jeruzalem Twee engelen waren bevestigd naast of op het deksel van de ark. Zij waren in aanbidding geknield voor Jahweh, de God van Israël. Maar Jahweh mocht niet worden uitgebeeld; er mochten geen beelden van Hem gemaakt worden. Ook de ark zelf, de kist, was leeg. De engelen zijn dus in aanbidding voor de Leegte, voor de Onzienlijke, en dat is juist kenmerkend voor de godsdienst van Israël.

Martin van den Nieuwenhuizen osa

Dit bericht is geplaatst in Teksten. Bookmark de permalink.

Geef een reactie