Geef het wachten niet op

Lezing: Habakuk 2, 1-3 en Lucas 17, 5-10 (geloof als een mosterdzaadje)

“Geef het wachten niet op, want het komt beslist en het komt niet te laat.” Habakuk spreekt over wachten. Wachten maakt bescheiden. Wachten maakt kleiner. Het is een bekende tactiek van machthebbers: laat de ander maar even wachten, de klagende burger, de ontevreden onderdaan, als ie wachten moet, zal ie wel een toontje lager gaan zingen. Op het eerste gehoor lijkt de profeet Habakuk ons te zeggen: stil nou maar, wacht maar, maak je niet druk, alles komt goed. Wees maar bescheiden.

Lucas spreekt over je plicht doen. “Wij zijn maar gewone knechten: wij hebben alleen maar onze plicht gedaan.” Je plicht vervullen maakt ook bescheiden. Doen wat je is opgedragen maakt je bewust wie je bent, een gewone knecht. In sommige vertalingen van het Lucas Evangelie wordt zelfs gesproken van onnutte knechten. Je bent maar van beperkte waarde. Op het eerste gehoor lijkt Lucas ons mee te willen geven dat het daar op aan komt in het leven: doe nou je plicht maar, maak je maar niet druk. Wees maar bescheiden.

Geloven als een lesje in bescheidenheid. Geloven als oefening in nederigheid, om het met een klassiek woord te zeggen. De Habakuk en Lucas lijken allebei op datzelfde spoor te zitten.

Stil maar, wacht maar? Willen Habakuk en Lucas ons in slaap sussen? Stil maar, het komt allemaal goed? Wacht nou maar, doe maar gewoon je plicht. Als je dat doet, zal je niets overkomen. Er zijn nog steeds veel mensen voor wie geloven betekent dat je in slaap wordt gesust. Je geeft je eigen mening of standpunt en je eigen verantwoordelijkheid op om vast te kunnen houden aan de illusie dat jou niets zal gebeuren. Geloven is dan heel bevoogdend, of kleinerend, het is maar hoe je het bekijkt.

Is dat geloven? Ik waag het te betwijfelen! Dan zou geen weldenkend mens meer de sprong van geloven wagen. Dan zouden wij, geëmancipeerd als we zijn, al lang zijn vertrokken. Wat is geloven dan wel? Daarvoor gebruikt Jezus een beeld dat heel sterk is. Vóór het verhaal van de gewone knechten staat een heel krachtig beeld. Het is het beeld van het mosterdzaadje. “Als ge geloof had als een mosterdzaadje, zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen: maak uw wortels los uit de grond en plant u in zee, en hij zou u gehoorzamen.” De situatie die door deze ene zin worden opgeroepen, spreekt tot de verbeelding.

Wat wil het beeld zeggen en waarom gebruikt Jezus dit beeld? Het mosterdzaadje is een heel klein zaadje, maar zeker niet het kleinste. Als Jezus had willen zeggen dat de kleinste veel vermag, had ie waarschijnlijk een ander beeld gebruikt. Waar verwijzen mosterdzaadjes dan naar? Deze zaadjes werden aan het begin van onze jaartelling in de keuken gebruikt om twee belangrijke redenen: als smaakmaker en als conservator. Mosterd gaf aan gerechten een typisch pittige smaak, zoals wij nu peper of andere specerijen zouden gebruiken. En, mosterd gaf een langere houdbaarheid, vooral aan vlees. Zo moeten de toehoorders van Jezus mosterd hebben gekend, als pittige smaakmaker en conservator. Als we het beeld daarom willen duiden, dan zou het eerder in de richting gaan van geloven als koken met een pittige smaakmaker en conservator. Kortom: wie gelooft, leeft met pit. Wie gelooft, weet het goede te behouden. En dat, dat maakt heel veel mogelijk. Het onmogelijke wordt mogelijk: een moerbeiboom zichzelf doen verplaatsen van land in zee. Wie gelooft, leeft met pit en dat maakt het onmogelijke mogelijk. Dat is nog eens een visie op geloven!

Dan de tweede vraag, waarom wordt dit beeld gebruikt? Daarvoor moeten even terug naar wat er gebeurd is voordat Jezus het beeld gebruikt. Zijn apostelen vragen Hem: “Geef ons meer geloof.” Meer geloof? Waarom zouden de apostelen meer geloof willen? Om heilige boontjes te zijn, om devote volgers te zijn, om diep in slaap te worden gesust? Soms lijkt het in onze kerk daar wel op aan te komen. Meer geloof zou staan voor meer devotie, meer deemoed, meer volgzaamheid. De apostelen echter vragen om meer geloof nadat Jezus hen tot iets heeft uitgenodigd. Het is jammer dat die passage vaak niet gelezen wordt. Aan de vraag van de apostelen gaat vooraf dat Jezus hen uitnodigt, uitdaagt is misschien beter, om telkens als een ander tegen hen misdoet maar ook zegt dat het hem spijt, om hem te vergeven. Vergeven als de ander je vraagt om te vergeven. Ook al gaat de ander keer op keer in de fout, ook al doet hij of zij je keer op keer pijn of verdriet, telkens als hij of zij je zegt: “Het spijt me”, dan wordt je uitgedaagd om het deze ander te vergeven.

En dat, dat is gauw gezegd, maar dikwijls ontzettend moeilijk. Een ander kan een opmerking maken die leuk bedoeld lijkt, maar bij jou hard aankomt. Een ander kan moedwillig voordringen en jou van je plaats verschuiven, en dat kan je werkelijk raken. Een ander kan iets van je afnemen, tot en met je partner toe, en dat doet pijn tot in het diepst van je hart. En dan op zijn of haar vraag: wil je het me vergeven, het spijt me, zeggen: Het is goed. Ik vergeef het je. Dat is nogal wat. Het is welhaast bovenmenselijk.

Dat doen vraagt om een groot vertrouwen. Vertrouwen in de ander, vertrouwen in jezelf, vertrouwen in God. In de ander, dat hij of zij werkelijk schoon schip wil maken als hij of zij zegt: “Het spijt me.” In jezelf, dat je toelaat dat de ander jou benadert en dat je hem of haar vergeving toezegt. In God, dat Hij jullie beide draagt als de ander en jij elkaar naderen. En wat is dat vertrouwen anders dan de sprong wagen te geloven. Geloven dat het kan, geloven dat het mogelijk is, geloven dat het onmogelijke mogelijk wordt.

Geloven dat dat kan. Blanken en zwarten geloofden dat het kan, na vele jaren van apartheid in Zuid-Afrika, en vormden samen een nieuwe regering. Katholieken en protestanten geloofden dat het kan, na vele jaren van burgeroorlog in Noord-Ierland, en zitten nu samen in een nieuwe regering. Vader en zoon, moeder en dochter geloofden dat het kan, na vele jaren uit elkaar te zijn gegroeid en verbroken contact, hebben nu de stap naar elkaar gezet. Dat mensen elkaar vinden, maakt zo veel mogelijk. Zo veel goeds.

Dat lijkt allemaal heel mooi. Het is heel mooi. Maar het vraagt zo veel. We zien vaak zo veel om ons heen waaruit blijkt dat het niet mogelijk zou zijn. Ruzies verharden, conflicten verergeren, mensen vervreemden. Maar vertrouwen dat het, ondanks die vele voorbeelden, kan, is dat niet geloven?

Geloof hebben als een mosterdzaadje. Dat is leven met pit, om het goede te behouden. Dat maakt het onmogelijke mogelijk. Dat is veel meer dan we aankunnen. Dat is vragen om geloof: “Geef ons meer geloof.” Wacht maar, het komt, het komt zeker.

Theo van der Zee

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *