Dragen en gedragen worden

ChristoffelLezing: Lucas 10, 25-37

Welkom u allen, op deze zomerse zondagochtend naar de Boskapel gekomen om samen de gedachtenis aan Hem te vieren die ons inspireert en bemoedigt. Wij doen dat vanmorgen in een agapè-viering, het liefdesmaal dat de eerste christenen hielden ter herinnering aan de maaltijd die Jezus met zijn leerlingen hield.
Dit weekend heeft de siergroep geen dienst gehad; de liturgiegroep heeft rond de tafel bloemen uit de vrije natuur bijeengezet, zoals u ze ook tegenkomt langs ‘s-Heren wegen; een traditie in de Boskapel aan het begin van de vakantieperiode.

Het thema vanmorgen is dragen en gedragen worden. U hebt hem vast al wel zien staan: Christophorus, de man die volgens een middeleeuwse legende Christus op zijn schouders over een onstuimige rivier heeft gedragen, en sindsdien als beschermer geldt van al diegenen die onderweg zijn, waar ook naartoe. Ooit kwam hij voor in de heiligenkalender, maar een jaar of wat geleden is hij in Rome bij een grote opruiming uit de Santekraam verwijderd. Wij hebben in zijn verhaal het rake beeld van de mens die op zijn tijd anderen draagt, en dan weer gedragen wordt op momenten dat hij op eigen kracht niet verder kan. Misschien herkennen wij vanmorgen in dit uur onszelf en elkaar in dit beeld.

Overweging

In menige oude kerk staat zijn beeld, Christophorus of Christoffel, de man met een reuzengestalte van 12 voet, wiens leven door Jacobus de Voragine in zijn boek Legenda Aurea beschreven is. Zijn populariteit ontleent hij aan het verhaal dat hij het Christuskind over het water gedragen heeft, een krachttoer die zelfs hem bijna te zwaar was.

Christophorus wilde met al zijn kracht dienstbaar zijn, dienstbaar aan de machtigste vorst ter wereld, maar toen hij deze gevonden had bleek er toch nog iemand machtiger te zijn: de duivel. Christophorus verwisselde van heer en kwam in dienst van de duivel. Maar ook deze moest in iemand zijn meerdere erkennen, want bij ieder kruisbeeld op zijn weg deinsde de duivel terug en vluchtte.

Toen kwam de ommekeer: een kluizenaar raadde Christoffel aan zijn leven te wijden aan het dienen van Christus. Daar kwam wel wat bij kijken, want hij zou dan, net als zijn raadsman, geregeld moeten vasten en veel moeten bidden. Maar iemand met zo’n groot lijf kan niet vasten, en bidden blijkt ook niets voor hem te zijn, ongeletterd als hij is. Dan adviseert de kluizenaar hem reizigers bij een gevaarlijke oversteek over een brede rivier veilig op zijn schouders over te zetten.

Christophorus bouwt een hut aan de oever van de rivier, zoekt zich een staf naar zijn maat en biedt de reizigers die willen oversteken zijn diensten aan. U kent het vervolg: op een avond wordt hij geroepen, hij gaat kijken en vindt niemand. Het roepen herhaalt zich, en bij de derde keer ziet hij een klein kind dat vraagt overgezet te worden. Christophorus neemt het op zijn schouders en stapt het water in. Hoe verder hij komt, hoe zwaarder het kind gaat wegen.

Als hij met al zijn inspanning de overkant bereikt heeft, verzucht hij dat het hem was alsof hij de hele wereld op zijn schouders gedragen heeft. Het kind beaamt dat en verzekert Christophorus dat hij de Heer van hemel en aarde gedragen heeft, degene die hij uiteindelijk als zijn Heer gekozen heeft. En die wonderbaarlijke gebeurtenis verklaart zijn naam: Christusdrager. Om dit antwoord kracht bij te zetten laat het kind Christophorus zijn staf in de grond steken. “Morgen zal je staf bloeien en vruchten dragen” belooft het kind hem. Zo geschiedt, en Christophorus is overtuigd dat de gebeurtenis geen vreemde droom was.

In al zijn eenvoud verwijst de legende van Christophorus naar ons menselijk bestaan.Ons leven begint met gedragen worden in de moederschoot, veertig weken lang, en eindigt met gedragen worden naar onze uiteindelijke rustplaats over de grens van de dood heen. Tussen die twee wezenlijke vormen van gedragen worden ligt in het mensenbestaan een bont mozaiek van andere draagvormen. Zijn ook wij niet geroepen de boodschap van Christus verder te dragen ? Hoe ver reikt onze draagkracht , en in hoeverre zijn wij bereid elkaar te dragen, en in het verlengde daarvan, te verdragen?

In onze dagen wint het individu het veelal van de gemeenschap. “Zorg goed voor je zelf”; “Ieder voor zich en God voor ons allen”; “Eerste ikke, en de rest kan stikken”: we kennen die slogans, die haaks staan op de oproep van het evangelie “Draagt elkanders lasten”. Het lijkt erop dat mensen de vraag uit het evangelie “Wie is mijn naaste?” maar liever uit de weg gaan en niet om zich heen kijken.

Augustinus heeft de oproep van het evangelie uitgewerkt in de preek waarvan wij in de eerste lezing een fragment gehoord hebben. Hij richt zich tot iedereen, tot mensen die over de middelen beschikken een kerk te bouwen en zo materiële lasten van de gemeenschap kunnen dragen, tot degene die zijn medemens in nood goede raad kan verschaffen, tot mensen die iemands lijden kunnen verzachten of die een dwalende ziel op het rechte spoor kunnen zetten. Van hoog tot laag, van groot tot klein kan men zo de last verlichten die iemand moet dragen, en wordt het leven dragelijk.

Van het evangelieverhaal over de barmhartige Samaritaan, die ook een last op zijn schouders genomen heeft, vond ik een moderne variant:

Een Nederlandse man wordt op weg naar huis in een buitenwijk van Amsterdam – het is twee uur ‘s-nachts – overvallen, neergestoken, beroofd. Hij bloedt uit grote wonden. Er komt een dure auto aan, in het licht van de koplampen ziet de bestuurder de man liggen, hij geeft gas. Er komt een brommer voorbij, hij kijkt, rijdt door, kijkt nog even om. Een uur later komt er een taxi voorbij, aan het stuur zit de chauffeur, een jonge Marokkaan. Hij denkt: een hoop vodden – of toch niet ? Hij stopt, ziet het slachtoffer, tilt hem in zijn armen, rijdt hem naar het AMC, regelt een spoedopname, betaalt de kosten.

U kunt de slotzin van deze moderne parabel zelf bedenken.

Je wordt iemands naaste door omstandigheden èn keuze: onverwacht ligt er iemand dwars over je weg, wat doe je ? Je kunt er niet langs, niet langs die mens en niet om die vraag heen. Wie met open ogen en oren leeft, ziet vele mogelijke naasten op zijn weg, allemaal even toevallig en bijzonder als jij, evenzeer blootgesteld aan weer en wind en aan het risico van struikelen en vallen. Soms dringt het pas bij de derde keer door dat er een beroep op je gedaan wordt, zoals Christophorus overkwam in de legende.

Hij droeg het Christuskind, gesteund door zijn staf, die het symbool van zijn geloof werd: een stok die ging bloeien en vruchten droeg. Het wordt zo dichterlijk uitgedrukt in psalm 23, waarin David zich tot Jahwe richt met de woorden “Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen gevaar, want u bent bij mij, uw stok en uw staf: zij geven mij moed.”

Ieder voor zich en gezamenlijk als geloofsgemeenschap dragen wij de boodschap die Christus ons voorleefde. Soms kan het een krachttoer zijn, zoals Christophorus die leverde. Het Christendom is erop gericht dat wij het leven voor elkaar dragelijk maken en houden. Ons houvast, de staf van het geloof, is bestand tegen alle wederwaardigheden onderweg. Zouden wij dan de overtocht niet kunnen volbrengen?

Koen van Rossum

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *