Opbreken

Tweede zondag in de veertigdagentijd

Lezing: Marcus 9, 2-10: ‘Verheerlijking op de berg Tabor’

De weg zoekend op onze ‘Doortocht naar nieuw leven’ scharen wij ons rond deze altaartafel. Solidair met elkaar zullen wij de Agapè, het vriendenmaal, vieren in de lijn van de vroegchristelijke traditie. ‘Agapè’ is een wat in onbruik geraakte term, maar wordt door paus Benedictus XVI in zijn encycliek Deus caritas est weer in ere hersteld. Hij noemt het Griekse woord agapè, in het Latijn vertaald door caritas, een typisch christelijke term die zowel de naar God opstijgende liefde als de naar de medemens afdalende liefde omvat. Hij haalt in dat verband de droom van Jacob aan, die langs een ladder de engelen op ziet stijgen en af ziet dalen. Deze bijbelse droom is dan ook gekozen als eerste lezing. De bloemen die bij wijze van trap staan gerangschikt passen wonderwel bij deze liturgie. De tentvormige vaas op de altaartafel is symbool voor de tweede lezing.

Het evangelie van deze dag heeft ook met opstijgen, afdalen én met ‘opbreken’ te maken. Marcus neemt ons in zijn negende hoofdstuk mee naar de berg Tabor, waar drie apostelen al een glimp mogen opvangen van de verheerlijkte Christus, maar ondanks het verlangen om te blijven, moeten zij weer afdalen naar de harde werkelijkheid. De beklimming van de berg en de afdaling naar het dagelijks leven bieden eenzelfde symboliek als de ladder van Jacob.

Onze verbondenheid in Gods liefde – de opstijgende liefde – komt vooral tot uiting in onze daadwerkelijke liefde voor onze medemensen, aldus de genoemde encycliek. Daarom past de ‘solidariteitspot’ ook zo uitstekend binnen een agapè-viering. “Ubi caritas et amor, deus ibi est.” “Waar liefde is, daar is God in ons midden.” Dat gaan we waar maken.

Overweging

Het zo vertrouwde ‘Hollands ganzenbord’ is een oeroud spel. Binnen de Egypte-afdeling van museum Het Louvre is een hoek ingericht met antieke kinderspelen. Eén van de bezienswaardigheden is een ganzenbord van duizenden jaren oud, afgebeeld op het schild van een schildpad. Het spel is nog zeer herkenbaar met de brug, de herberg, de doolhof, de put, de gevangenis en de dood. Het is niet vreemd een zo oude versie van dit gezelschapsspel aan te treffen, wanneer we de diepere betekenis voor ogen houden. Spellen verwijzen naar aspecten van het leven, of staan – zoals hier – voor de kern van het leven zelf. Het ganzenbord staat model voor onze doortocht op onze levensweg. De genoemde symbolen zijn de markeringen tussen de verschillende levensfasen. De overgangstijd tussen de kleuterperiode en verdere schooltijd heet ‘de brug’. De ontwikkelingsperiode die dan volgt – het jongere zijn – eindigt bij ‘de herberg’.Je kunt er blijven hangen, of juist voortgaan en zelf je verantwoordelijkheid nemen als volwassene. Verder trekkend kan het leven gecompliceerd zijn. Je raakt in de put, verdwaalt in de doolhof van het leven, of je raakt gevangen door problematiek . Pas als je ‘de poort van de dood’, de vergankelijkheid van het aardse leven hebt leren accepteren, wordt de diepste zin van het leven helder.

Perioden waarin het je goed gaat wil je eigenlijk vasthouden. Zo verging het ook Petrus, Johannes en Jacobus. ‘Heer laat ons hier drie tenten bouwen’. Hoewel Jezus niet goed wist, wat hij moest zeggen, gaf hij toch opdracht de berg af te dalen. Zijn taak op aarde was nog niet voltooid. De eerste encycliek van onze paus Benedictus XVI ‘Deus caritas est’ spreekt van de opstijgende en de afdalende liefde. Opstijgen naar God en weer met beide voeten op de aarde neerkomen in het hier en nu. In het oude testament, in het boek van de uittocht komen we een soortgelijk beeld tegen. Mozes neemt telkens tijd voor afzondering in de gewijde tent, waarin Jahweh tot hem spreekt. Gesterkt door Gods woorden, komt hij dan naar buiten en vindt weer de kracht zijn volk verder te leiden naar het beloofde land. De hand van God, de engel Gods, leidt hem en zijn volk.

Ook de droom van Jacob, waarin hij engelen langs een ladder op ziet klimmen en af ziet dalen, is een beeld van onze liefde voor God en het uitstralen van deze liefde naar onze medemensen. In de genoemde encycliek wordt hier het woord ‘agapè’ gebruikt. Ruim vijf bladzijden (een-zesde deel) besteedt onze Paus aan de uitleg van dit vroegchristelijke begrip, dat later in de Latijnse taal als ‘caritas’ is vertaald. Paus Benedictus legt het uit als de liefde voor onze naasten als daadwerkelijke uiting van onze liefde voor God. ‘God liefhebben is geen gebod, maar een antwoord op een gave’. Via de caritas geven we deze gave door aan de mensen die we ontmoeten op onze levensweg. In dat verband haalt hij ook Augustinus aan die schrijft ‘Dan is de wil van God geen vreemde wil meer voor mij, die mij door geboden van buitenaf wordt opgelegd, maar mijn eigen wil, op grond van het besef dat God inderdaad dichter bij mij is dan ik bij mezelf kan zijn’.

Liefde voor de medemens. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Door de globalisering komt de nood van heel de mensheid op ons af. We weten gewoon niet, waar we moeten beginnen. Daarbij horen we nog de verhalen over al te overvloedige inzamelingen. Het geld, dat we bijeenbrachten na de Tsunami is nog maar voor een deel besteed. Verhalen over directeuren van gerenommeerde hulpverleningsorganisaties die riante salarissen verdienen, halen de voorpagina’s van de kranten. Daarvoor geven we ons geld toch niet! Liefdadigheidsinstanties die we steunen, sturen ons vier keer per jaar acceptgiro’s, zodat we het overzicht verliezen. Wij neigen ertoe om alle binnenkomende verzoeken te verscheuren. Het is allemaal zo grootschalig en rationeel geworden.

Een agapè-viering voert ons weer terug tot de kern. Als kleine gemeenschap zijn wij vandaag in de deze boskapel bij elkaar om gezamenlijkheid te beleven en ons verbonden te voelen in de liefde van de Onzichtbare-altijd-aanwezige en om dit te uiten in de solidariteit met elkaar. Als wij straks naar voren komen om samen brood en honing te delen, zullen we tegelijkertijd een bijdrage storten in de solidariteitspot. De opbrengst zal behalve voor de boskapel, direct besteed worden voor leden van onze gemeenschap met wie we samen delen, met wie we samen vieren. Dat is een vorm van caritas met korte lijnen die rechtstreeks effect heeft.

We kiezen voor het delen van brood en honing. Brood en honing drukken feestelijkheid uit in alle culturen. Niet alleen in het oude testament, maar ook in verhalen van deze tijd komen we dat tegen. Rigoberta Menchú, die in 1992 de Nobelprijs voor de vrede won als voorvechtster voor de rechten van de indianenvolkeren, beschrijft in één van haar boeken, hoe zij in de week vóór Pasen in haar dorp rond ging om zelfgebakken brood en honing te brengen naar de gezinnen die dit het meeste nodig hadden.

Dadelijk zullen wij brood en honing op de altaartafel plaatsen. Vertegenwoordigers uit onze gemeenschap zullen een kring te vormen rond het altaar, dat als de Ark des Verbonds in het Oude Testament de aanwezigheid van Gods liefde voor ons doet voelen. Wij zullen samen ervoor bidden, dat de liefdevolle God bij ons zal zijn tijdens deze agapè-viering en dat Zijn engel ons zal leiden op onze levensweg, zoals Hij het Joodse volk leidde op hun doortocht naar het beloofde land en zoals Hij aanwezig was bij de agapé-vieringen van de eerste Christengemeenschappen. Wij zullen vragen, of Hij met en door Zijn liefde voor ons garant wil staan voor een goede doortocht naar nieuw leven, het thema van deze veertigdagentijd

Jan Broeders

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie