In het licht gaan

Lezing: Matteüs 2, 1-12 De wijzen uit het oosten

De geboortester van Betlehem moge ons beschijnen, nu we hier zijn samengekomen om het Kerstfeest af te ronden. En dat doen we aan de hand van het Evangelie van Matteüs. Het kerstverhaal van Lucas is op 25 december verteld, maar op 6 januari of de zondag daarna is het de beurt van Matteüs; in zijn kerstverhaal is de hoofdrol weggelegd voor zoekende wijzen uit het oosten en voor de lichtende ster die hen al gaande wegwijs maakt.

Alle eeuwen door worden mensen geroepen om in het licht van de Eeuwige te gaan staan.
Dat goddelijk licht dat ons in beweging brengt, met ons meereist en aan ons leven zijn bestemming geeft. Wij bidden samen om dat licht.

Overweging

‘Sien, laat eens zien, Sien, laat eens zien, Sien, laat eens zien hoe mooi je bent!’ Ik had deze regel kunnen zingen, maar velen van ons zullen zich ook zó wel dat speelse liedje van Toon Hermans herinneren. Vandaag op het feest van Driekoningen, worden we allemaal opgeroepen om te laten zien hoe mooi we zijn….. mooi, door het nieuwe licht dat ons beschijnt.
Voor de meesten van ons hoeft dat niet, zo pontificaal in het zonnetje staan: ‘ik blijf liever zitten’.
En anderen zeggen misschien: ‘Zo mooi ziet mijn leven er niet uit. Laat mij maar in de schaduw blijven’. Maar vandaag mag en moet het een keer: je eens helemaal laten beschijnen door het goddelijk licht.
En die oproep geldt voor alle mensen. God is er niet alleen voor het volk Israël, maar voor alle volken. Dat blijkt uit het visioen van Jesaia, waarin mensen-overal-vandaan toestromen naar het licht. Dat blijkt ook uit het kerstverhaal van Matteüs met de wijzen uit het Oosten. Een verhaal dat erg tot de verbeelding spreekt, gezien de verhalen en de gebruiken die er rondomheen zijn gegroeid. Theo van de Zee schreef er al over in Op de Hoogte. De wijzen zijn koningen geworden met een verschillende huidskleur en zo vertegenwoordigen ze alle continenten van de wereld. Op schilderijen en in kerststallen zie je dat zij ook drie generaties vertegenwoordigen: een oude koning, één van middelbare leeftijd en een jonge. Alle rassen en leeftijden mogen zich dus laten beschijnen door dat grote licht.

Wat is de bedoeling van dat licht; wat brengt het teweeg?
Zowel de volken uit het visioen van Jesaia, als de wijzen uit het Oosten, staan op als ze dat licht zien, alsof er een nieuwe morgen is aangebroken, na een lange duistere nacht. En opstaan is het begin van gaan.
‘Gaan’ is een sleutelwoord in het hele verhaal. Het is wagen en vertrekken, aankomen en weer verder reizen. En soms is gaan een wanhoopsdaad: de wijk nemen, het vege lijf redden, zoals Maria en Jozef verderop in het verhaal moeten doen. Het waagstuk om te gaan: we herkennen het in ons eigen leven. Wegtrekken uit wat oud en versleten is, niet langer in slaapheid en onderdrukking willen leven; je eigen weg zoeken en worden zoals God je bedoeld heeft, op hoop van zegen.
Maar het tegendeel zit ook in het verhaal.
Herodus en de schriftgeleerden blijven van angst zitten waar ze zitten, Ze zijn bang voor het nieuwe licht.
Dat tegendeel van gaan herkennen we ook in onszelf: als we vastzitten aan onze ideeën of in onze heilige huisjes. Of als we toch maar liever in de duisternis blijven wonen, omdat we bang zijn voor het licht dat ons naakt en weerloos maakt. Ook al weet je diep in je hart dat gaan de enige manier is om in je leven verder te komen. Soms ben je met geen stok te bewegen. Maar je hoeft je niet door angst voor het onbekende te laten verlammen. Er is ook een andere manier om er mee om te gaan. En dat is dat je het onbekende onder ogen ziet, en dat je jezelf erdoor laat uitdagen en verrassen. Dan zet je je angst om in vertrouwen en gaat waar geen wegen gaan.
Een oud gezegde is dat je al gaande zelf een weg maakt. Dat is een eenvoudige, maar geladen levenswijsheid. Ieder die leeft, gaat een weg, zijn levensweg, hoogstpersoonlijk. Soms struikel of val je onderweg, obstakels genoeg in allerlei soorten en maten: in jezelf, vlakbij, in de maatschappij, vul maar in. En dan toch: gaande blijven. Soms moet je een stuk terug, soms lijkt het wel helemaal terug naar af. En het dan toch weer wagen, want wie waagt, die wint. Steeds weer: beginnen waar je bent, beginnen zoals je bent. Niet wachten op de ideale uitgangspositie: ‘als ik eerst maar weer eens…..’ De toekomst begint altijd nu!

Ieder mens heeft kracht om op eigen benen te staan en te gaan. Soms lukt dat even niet. Je mislukkingen worden gezien. ‘Ach ja, het zit er bij jou gewoon niet in!’
Laat je niet ontmoedigen door zo’n negatieve opmerking. Maar schep moed door de blijde boodschap, die ons vandaag openbaart dat Gods licht is opgegaan voor alle rassen en leeftijden, dus voor ieder mens.
In ieder van ons woont zo’n dromende wijze die aanvoelt welke weg hij moet gaan, en welke nieuwe wegen mogelijk zijn. Wat een geluk als je dan iemand tegenkomt die je weet te be-moedigen! Die je dát zetje weet te geven, dat je juist op dit moment even nodig had. Ik heb zo iemand in mijn leven altijd als een ster beschouwd; dat goddelijk licht dat een eindje met me meereisde. Soms kom je onderweg al even thuis, vind je door jouw ster iets terug van je eigen oorsprong en mogelijkheden.
Maar daarna is het altijd weer: opstaan en verdergaan, in het licht dat je geschonken wordt, en waarmee jij nu op jouw beurt een ander weet bij te lichten.

Als voorbeeld lees ik tot slot een tekst van Nelson Mandela voor, een wijze uit Zuid Afrika. Omdat hij een rechtvaardigheidstrijd streed tegen de apartheid, zat hij jarenlang gevangen op het Robbeneiland. Jaren van ontmoediging en ontbering. Maar wat weet hij jou en mij te bemoedigen met het volgende stukje tekst uit zijn
inauguratietoespraak

‘Onze diepste angst is niet dat we ontoereikend zijn.
Onze diepste angst is dat we een onmetelijke kracht bezitten.
Het is ons licht, niet onze duisternis, dat ons angst aanjaagt.
We vragen ons af: wie ben ik om briljant, fantastisch, talentvol, geweldig te zijn?

Je bent een kind van God.
Met je kleiner voordoen dan je in werkelijkheid bent, bewijs je de wereld geen dienst.
We zijn geboren om de glorie van God in ons zichtbaar te maken.

Die glorie woont niet in enkelen van ons, maar in iedereen.
En als we ons licht laten schijnen,
geven we onbewust aan anderen toestemming hetzelfde te doen.

Als we bevrijd zijn van onze eigen angst,
dan bevrijdt onze aanwezigheid automatisch ook anderen.

Joost Koopmans osa
Ontleend aan J. Groot & H. Sechterberger, Doorgegeven

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie