Alles op zijn tijd!

Lezing: Marcus 2, 18-22 ‘Vastentijd of feesttijd’

Het komt goed uit dat op deze carnavalszondag – één week voor de vasten begint– het Evangelie over vreugde en feest gaat. Het leven krijgt kleur door contrasten te beleven:

  • winter en lente;
  • uitbundigheid en ingetogenheid;
  • carnaval en vasten.

In het Evangelie van vandaag beleven de leerlingen van Johannes een tijd van Vasten: ze krijgen geen hap door hun keel omdat hun meester ergens onder de grond in de gevangenis zit.
Maar de leerlingen van Jezus lopen rond met een feest in hun hoofd, want ze voelen dat in Hem de lang verwachte lente van een nieuwe tijd is aangebroken.

Er zijn tijden met een ingetogen karakter, zoals de aanstaande veertigdagentijd, waarin we ons laten raken door het kruis in deze wereld. Maar er zijn ook tijden van vreugde vanwege gelukkige momenten.

Overweging

Ik weet het nog goed, ook al is het een gebeuren van lang geleden, toen ik nog studeerde aan een interne vooropleiding voor theologie. Het was zo’n dag waarop alles meezat: het voorjaar zat in de lucht, de lessen waren interessant, de studiegenoten aardig… Ik kwam op mijn kamer, zette het raam open voor de prille lentezon en voelde het geluk zó door me heen stromen, dat ik het op een zingen zette. Met heel mijn lijf en volle stem zong ik mijn vreugde uit om zomaar en mooie dag. Totdat er op de deur werd geklopt… Daar stond een magere pater met een uitgestreken gezicht (natuurlijk geen augustijn!) die vroeg of ik niet goed was geworden. Beduusd zei ik nog dat ik blij was, maar ik moest de stilte bewaren, zet hij. Daarmee doofde hij het licht van de lente in mijn lijf, zo voelde het voor mij.

Aan dit gebeuren denk ik terug als ik in het Evangelie lees hoe de vrolijkheid van Jezus’ leerlingen de wetgeleerden steekt. Zij stralen geloofsvreugde uit omdat zij door Jezus’ optreden aanvoelen dat de langverwachte Messiaanse lente is aangebroken. Het is net of de bruiloft, het feest tussen God en mens, aanstaande is. En bij bruiloft, bij feest denk je niet aan vasten. En dat zint de Farizeeën niet. Zij onderhouden nauwgezet de wetten, en leren dat als rabbi’s ook aan hun leerlingen. Het onconventionele van Jezus’optreden steekt de bewakers van de oude tradities. Ze zijn er op uit om hem te betrappen op afwijkend gedrag en vragen hem waarom de leerlingen van Johannes wél en die van hem niet vasten.

“Gun ze toch hun levensvreugde”, antwoordt Jezus, “Ze zullen het nog moeilijk genoeg krijgen, wanneer ik niet meer in hun midden zal zijn.” En dan wil hij hen ontwapenen met het beeld van nieuwe lappen op een oud kleed. Zo’n opgelapt kleed scheurt toch, net zo goed als jonge wijn in oude zakken wegvloeit omdat ze openbarsten. Het is alsof Jezus zegt: “Hou toch op met passen en meten; met, wat volgens de traditie, nog wel net en niet meer kan.” Het gaat hem erom mensen te raken door het altijd nieuwe van God. Dat laat hij hen ervaren door zijn verrassende manier van ingaan op hun nood, hun soms zwakke zelfvertrouwen, hun kracht en mogelijkheden.

Ergens las ik deze vergelijking: Jezus was als een golf die over oude dijken heenslaat. Voor sommigen betekende dat een verfrissende ruimte. Anderen waren benauwd voor een overstroming, waarbij de regie over mensen hem uit handen zou worden geslagen. Jezus zegt zoveel als: “Probeer toch niet het altijd nieuwe van Gods initiatief, dat onder mensen kan doorbreken, te verbinden met oude patronen en zekerheden. Dat werkt zo averechts op elkaar in. Zowel het nieuwe als het oude zouden eraan ten gronde gaan. Is dat niet jammer?”

Dit verhaal is een voorteken van het groeiende conflict tussen Jezus en de Farizeeën, en daar zit iets tragisch in. Want de Farizeeën zijn gelovig, en daar heeft Jezus respect voor. Maar door hun wetticisme is het geloof een star systeem geworden. De godsdienstige dwang heeft er alle geloofsvreugde uitgehaald.

Soms heb je de indruk dat ook geloven, nu alleen maar een zaak is. De blijde boodschap staat niet op ons gezicht te lezen; de liturgie is doodernstig. We hebben nu in onze Augustijnse familiagroep een jonge vrouw uit Brazilië, die daar in een Augustijnse parochie is opgegroeid en gevormd. Zij vertelde dat ze zoveel moeite heeft om een Nederlandse parochie te vinden die haar aanspreekt, zo weinig sprankelend gaat het er hier aan toe, terwijl je in Brazilië met het hele lijf je blijdschap en gevoelens tot uiting brengt. Met Pasen vond ze het nog wel het ergste, zo weinig Paasvreugde als er doorklonk. ‘Het leek wel Goede Vrijdag’ zei ze; ‘ik heb gewoon zitten huilen.’

Het Evangelie van vandaag roept ons dus op tot meer geloofsvreugde, maar ook tot gedurfd vertrouwen in het nieuwe. Want net als bij de schriftgeleerden in Jezus’ dagen gaat de vernieuwingsdrang bij mensen die de leiding hebben, ook nu dikwijls niet verder dan een oud en versleten geloof opnieuw inpakken. Maar dat vond Jezus al lapwerk: nieuwe ontwikkelingen hebben speelruimte nodig. Als je ze voortijdig inpast in het bekende, dan smoor je ze in de kiem, net zoals een opgelapt kleed scheurt, en een oude wijnzak barst als j eer jonge wijn ingiet.

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie