Zachtmoedigheid als kracht

Lezing: Johannes 1, 29-34

‘Zachtmoedigheid als kracht’ is vandaag de titel van deze viering.

Wat een raar thema eigenlijk! Zachtmoedigheid is wel het laatste waarover het in deze tijd gaat. Temidden van allerlei geweld moeten we onszelf verdedigen. En daar waar zoveel macht wordt vertoond, moet je opkomen voor jezelf, je belangen met kracht behartigen en misschien wel met je ellebogen werken. En van de weeromstuit verlangen we ook van God grote woorden en vertoon.

Maar vandaag horen we hoe God’s geest over Jezus neerdaalt als een duif. Johannes duidt Hem aan als het lam van God, geweldloos en zachtmoedig. Aanvankelijk dacht ook hij dat God zou komen met veel krachtpatserij; maar dáár moet hij van inzicht veranderen. Is er in onze samenleving, en in ons eigen hart, nog plaats voor Iemand die in de stilte spreekt, voor de kracht van zachtmoedigheid?

Overweging

Mensen met een spijkerhard geloof: aanvankelijk was Johannes de Doper ook één van hen. Een havik die mensen bang maakte voor Gods harde oordeel. Iedere boom die geen goede vruchten draagt, wil hij meteen omkappen. Adrie Bosch speelt met de strengheid van Johannes. Daar is hij een verhalenverteller voor. En dan laat hij via de vraag van kinderen Jezus optreden, die de strengheid van Johannes ontmaskert.

Jezus moest niks hebben van die spijkerharde gelovigen. Hij was een mens vol mededogen, die wat kwetsbaar was niet kleineerde, het geknakte riet niet brak en de kwijnende vlam niet doofde. Integendeel: Als een goede herder nam hij de zwaksten als een lammetje op zijn schouders. Hij wou mensen boven zichzelf uittillen, zeggen en laten voelen hoe groot ze waren in Gods ogen.

Haviken kunnen duiven worden. De geschiedenis kent daar voorbeelden van. In de politiek was Yitzak Rabin zo iemand, in de kerk Oscar Romero, in de Bijbel Johannes de Doper. “Ik kende hem eigenlijk niet, maar toen ik doopte, heb ik de Geest als een duif uit de hemel op Hem zien neerdalen.” Was het niet een duif die met een groen takje in de snavel terugkeerde naar de ark van Noach als teken dat de vloed voorbij was en leven opnieuw mogelijk?

Door dit visioen aan de Jordaan komt Johannes tot het inzicht dat Jezus werkelijk de duif van de vrede is waarop de wereld vol haviken wacht zodat de schepping nieuw kan worden. Lange tijd had hij gedacht dat God met harde hand zou ingrijpen.

Langzamerhand verandert zijn godsbeeld, omdat hij gaat inzien dat God aan het licht was gekomen in een mens vol mededogen. Nu denkt hij bij de Messias niet meer aan een ongeduldige en strenge rechter, maar aan de vredelievendheid van een duif en de zachtheid van een lam. En dat is weer bijbelse beeldspraak, want: nam het lam in het boek van de uittocht niet de plaats in van mensen die eigenlijk zouden moeten sterven? En profeteert ook Jesaia niet over de Messias als het gekwetste en zachtmoedige lam? “Ook ik kende Hem niet”, zegt Johannes, “maar nu heb ik hem herkend in deze mens die de kracht van zachtmoedigheid uitstraalt.”

Uiteindelijk was het dát wat we met Kerstmis vierden: Gods mensenliefde verschenen in een kind! De sterken worden zacht, de kleinen vatten moed. Wat gek dat er dan toch weer dominees zijn die God bezig zien in angstaanjagend natuurgeweld; toch weer bisschoppen in Jezus’ naam met straffende hand kaf en koren handmatig willen scheiden; toch weer christenen zijn die menen dat God meer aan hún kant staat dan aan de kant van ‘die daar…’

Zo raken veel mensen het spoor bijster: door het ontbreken van zachtmoedige mensen en van plekken waar je even boven jezelf wordt uitgetild. Waar zijn de geloofsgemeenschappen waar de weerloze lammetjes op háár sterke schouders mogen rusten, totdat ze zelf sterk genoeg zijn om hun leven te dragen en op hun beurt anderen mee te dragen?

Ik wil eindigen met een verhaal uit mijn pastorale praktijk, ter bevestiging, als uitdaging, als hoop.. ieder zal het kunnen invullen naar eigen bevinden.

Zij kwam bij me om haar huwelijk voor te bereiden; een jonge vrouw, achter in de twintig. Geboren als kind in een eenvoudig gezin. Haar moeder ging het verkeerde pad op, een scheiding volgde. Zij nam haar kind mee. Toen ze van haar nieuwe vriend – uit het criminele circuit – ook een kind kreeg, lag zij eruit en werd een ‘sleutelkind’. Op haar negende verhuisde ze naar haar vader – een kerel die geen vlieg kwaad doet. Vaders moeder, haar oma dus, was een sterke en gelovige vrouw. Bij haar was er altijd plaats aan tafel. Daar leerde ze gezelligheid kennen. Op de middelbare school was ze niet te handhaven, zoveel agressie moest ze kwijt. Ze zocht allerlei baantjes, totdat ze op haar 18de naar Amsterdam trok waar ze in een kiosk ging werken. Ze raakte bevriend met een oudere man die regelmatig wat kwam kopen en dan een praatje met haar maakte. “Je hebt een moeilijk leven achter de rug”, zei hij op een keer. “Ga eens een keer met me mee naar de kerk.” Ze was wel gedoopt maar had geen flauw idee van wat het geloof voor haar betekenen kon. Uit nieuwsgierigheid ging ze mee. Daar, in die gastvrije Nicolaaskerk in de city van Amsterdam, waar plaats is voor velen, voelde ze zich opgenomen in een sfeer van liefde en hartelijkheid. Ze werd geraakt door de goede woorden, de warme klanken, de sprekende gebaren en de vierende gemeenschap.

Ze kwam elke zondag terug en kreeg het gevoel dat er Iemand was die onvoorwaardelijk van haar hield. De goede woorden gaven een naam aan die Iemand: God.

“Mijn rusteloze hart werd er rustig van. Het werkte beter dan welke therapie ik ook gevolgd had. Het gebeurde gewoon in mijzelf. God is voor mij een persoon die er gewoon is, zonder dat je Hem ziet. Hij is aanwezig als ik tot Hem praat. Ik kwam bij mezelf thuis. Ik voelde alle opgekropte woede die ik tegen mijn moeder had opgebouwd, wegvloeien. Ik kon gaan vergeven.

Vlak voor mijn 19de verjaardag keerde ik terug naar mijn geboortestad, had een goed gesprek met mijn moeder en ging weer bij papa wonen. Op de vraag waarom me dit allemaal is overkomen, heb ik nooit een antwoord gekregen. Maar ik ben alle ellende te boven gekomen. Ik volgde de weg van mijn hart en bid op mijn manier.

Als taxichauffeur krijg ik véél van mijn klanten te horen, en ik probeer hen te helpen door een luisterend oor te zijn. Ik breng hen naar de plek van bestemming en misschien ook wel een beetje naar henzelf door een goed woord. Zoals die vriendelijke man naar mij luisterde en me op het spoor heeft gezet, toen in die kiosk.”

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie