Waakzaam wachten

Lezingen : Jesaja 63,16-17 en 64, 3-7, Marcus 13, 33-37

Vandaag openen we de Advent, het jaargetij dat ons naar binnen voert; thuis komen bij elkaar; thuiskomen bij onszelf. De liturgiegroep heeft dat verbeeld met een labyrint op de vloer: de weg van buiten naar binnen. Maar vinden wij daarbinnen wel licht?

Thuisgekomen in Jeruzalem na een jarenlange ballingschap treffen de Israëlieten een puinhoop aan en worden ze sterk op zichzelf teruggeworpen. Maar juist die zelf inkeer wekt in hen het verlangen om licht te zien in het duister. En waakzaam geworden zien ze hoe Gods dageraad hen tegemoet komt in een mensenkind, broos en kwetsbaar.

Zo’n kind als daar op het schilderij aan de wand, met twee ogen die ons raken. ‘Dit ben ik, en wie ben jij? Kun jij er voor mij zijn?’ Een kind dat ons van binnen naar buiten roept. Dat is advent: de weg van buiten naar binnen gaan, naar God in jezelf, om vandaaruit de weg van binnen naar buiten te gaan, naar God in de ander. Het labyrint loopt uit in een weg onder het altaar, waar straks de kerststal staat. Ze willen elkaar tegemoetkomen: jouw verlangen naar God en Gods verlangen naar jou!

Overweging

De weg van de Advent met een oerschreeuw tot God: ‘Scheur toch de hemel open en daal af!’ Het is de schreeuw van de mensen in wanhoop en ontreddering, vertolkt door de profeet Jesaja. Hun hemel zit dicht. Het lijkt wel een zonsverduistering. Terug in Jeruzalem zitten ze letterlijk en figuurlijk aan de grond. Ze weten gaandeweg maar al te goed dat het hun eigen schuld is. Ze hebben het er zelf naar gemaakt. Daar helpt niet zomaar een vadertje lief -God- aan. Daarom zegt de tekst dat God zwijgt, zich heeft teruggetrokken. God is in staking gegaan.

Wij mensen kunnen van ons leven of van de wereld zo’n potje maken, zo’n woestenij, dat de hemel ervan dichttrekt. We wilden onze eigen god zijn in plaats van het beeld dat God van zichzelf in ons heeft neergelegd. Dat verlangen maakte ons heerszuchtig en eigenzinnig, ver weg van onze oorsprong. Dan is het alsof God zegt: ‘Hier wil ik even helemaal niets meer mee te maken hebben; ik ken hier mijn eigen beeld, mijn eigen schepping niet meer in terug. Zo zijn we helemaal terug bij af.’

‘Scheur toch de hemel open…’, die schreeuw slaat op ons zelf terug: als wij geen opening maken, ons verlangen niet herijken, kan God niet veel met ons beginnen. De woorden van Jesaja klinken ernstig en zwaar. Herhaaldelijk vallen de begrippen zonde en schuld. We horen dat niet graag. Maar toch is het een levenservaring van alle eeuwen: missers kunnen zwaar op ons drukken en moeten ons soms onvermijdelijk aangerekend worden. Denk aan die enorme stommiteit waarmee je een ander ernstig tekort deed, of Gods beeld in jezelf beschadigde. En op grotere schaal dan ons eigen leven: het kan schrijnend zeer doen te moeten aanzien hoe het in de wereld soms misgaat t.g.v. het machtsdenken en het egoïsme van mensen. Die teruggekeerde ballingen voelen hun missers en ze zien de scherven ervan onder ogen, willen ze aanraken en voelen in hun vlees. Ze hadden hun kop ook in het zand kunnen steken, op allerlei manieren zichzelf kunnen verontschuldigen en wegzinken in noodlotgevoelens. Dat doen ze niet. Het besef van hun zonde en schuld wekt in hen een nieuw verlangen op. Met beeldende taal zeggen ze voor God wie ze zijn. Eerst is het nog ‘waarom?’ – verderop is er erkenning: een soort ‘daarom’. Eerst zeggen ze: ‘we zijn maar bladeren op de wind van het kwaad’, maar later: ‘we zijn het leem’ en daar kan iets prachtigs uitkomen. Leem, klei, dat is wat wij mensen van oorsprong, ten diepste zijn. Onder en achter al onze grootdoenerij, carrières en klatergoud, zijn wij slechts stof en klei, blijvend aangewezen op de scheppingskunst van de lieve boetseerder God.

Aan het begin van de Advent worden we uitgedaagd het met die mensen van toen mee te zeggen: ‘Wij zijn het leem, U de boetseerder, maak een nieuw begin met ons.’ Wie dat durft, kan weer iets gaan verwachten. Dan groeit in je de moed om te kijken, onder ogen te zien. Je sluit je ogen niet voor misstanden en ongerechtigheid. Misschien is het bijna niet om aan te zien, zoals het er soms met je jezelf en in de wereld er voorstaat, maar dan toch: blijven kijken. En ook: de hemel afspeuren naar waar de donkere lucht breekt, speuren naar hoop en dageraad.

In dit besef kan de Advent een leertijd worden van waakzaam wachten. Marcus zegt het herhaaldelijk en duidelijk tegen iedereen. ‘Weest waakzaam’. Misschien zoeken we het soms wel te ver, kijken we er overheen. Dicht bij huis zijn allerlei kleine profeten in actie, mannen en vrouwen die niet voor een gat gevangen zijn. Ze brengen goedheid en gerechtigheid in de praktijk en laten zich niet met een ‘ga maar rustig slapen’ van de wijs brengen. Soms zitten ze helemaal aan de grond, maar ze laten de hoop niet varen.

Een voorbeeld uit velen is het verhaal van een bakker die twee vingers kwijtraakt, wanneer hij met zijn hand in de deegmachine terechtkomt. Een noodlottig ongeval. Maar de man gaat tegen het noodlot in. Hij accepteert niet dat de artsen er niet in geloven dat het goed kan komen. En uiteindelijk vindt hij een dokter die hem zijn grote teen als nieuw duim aan zijn hand zet. Zijn baan als bakker is hij kwijt, nu is hij buschauffeur.

Dit verhaal is niet bijzonder omdat de man zo gelovig is en grote wonderen van God verwacht. Wel omdat hij zijn situatie onder ogen ziet en in plaats van in zelfmedelijden weg te zinken, zoekt naar wegen om het noodlot te keren. Het verhaal zet ons met beide benen op de grond. In het leven liggen nu eenmaal een aantal dingen gewoon vast, zoals je afkomst, de omstandigheden waarin je moet leven en werken en waarmee je niet altijd gelukkig bent. Maar wat niet vastligt, is hoe wij met het leven omgaan, welke mogelijkheden wij zien en waar ons verlangen naar uitgaat.

Als gelovigen het ergens over eens zijn, dan is het dat God hoop geeft. Het noodlot kan gekeerd worden, omdat Hijzelf ons tegemoet komt, om een nieuw begin te maken. Hij komt ons tegemoet als we alle commerciële gedoe rond Kerst in deze tijd eens vergeten. Als we de consumptiedrang durven los te laten en ons hart tot rust laten komen, zoals bezongen in de tussenzang. Hij komt ons tegemoet in de ander: in die kleine profeet, in de ogen van dat kind, in de trouw van je vriend of vriendin.

Maar om het leven zo te zien, om in het duister telkens toch weer lichtpuntjes te zien, moet je wel wakker zijn. Wees waakzaam, ofwel: sta ervoor open dat God zo in je leven komt. Geef Hem een kans om ons verlangen naar een betere toekomst de goede kant uit te leiden.

Joost Koopmans osa

NB: Zie ook: Doorgegeven van Jan Groot en Henk Sechterberger (Gooi en Sticht)

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie