Vermenging van goed en kwaad

Lezing: Matteüs 13, 24-43

Het Evangelie dat tijdens de tweede viering in de zomertijd wordt voorgelezen, kan verbazend actueel worden toegepast. Het gaat over tarwe en onkruid; het onkruid mag ook mee opgroeien, omwille van de tarwe.

Je hoort vaak zeggen: ‘Waarom grijpt God niet in? Er is zoveel kwaad in de wereld, en Hij laat het maar doorwoekeren!’ En anders wordt er wel gevraagd om een sterke arm van de politiek. Omdat het kwade zo brutaal is, en steeds brutaler wordt, groeit de behoefte om te zeggen: ‘weg ermee, of sla het maar neer’.

O.k.! Maar radicalisering sluit onze ogen voor nuances. Soms is het kwaad zo kwaad niet als het eruit ziet. Wat bij planten niet, kan bij mensen wel. Ze kunnen veranderen. Het evangelie wil onze ogen openen voor de mogelijkheid om op je schreden terug te keren, tot inkeer te komen. Als je die mogelijkheid meteen al de kop indrukt, of zoals het onkruid, uitrukt, dan is de kans op verbetering ook uitgesloten.

‘En trouwens’, zo vraagt Augustinus zich af in de eerste lezing, ‘wie ben jij dat je je medemens zou mogen veroordelen? Kijk ook eerlijk in je eigen hart!’

Lezing, naar een preek van Augustinus

Om te weten of iemand deugt, moet je hem eerst tot je gemeenschap toelaten en hem daar beoordelen. Hoe kun je iemand beletten binnen te treden, indien dit de enige manier is om hem te beoordelen? Niemand kan beoordeeld worden tenzij hij eerst in de gemeenschap opgenomen is. Je zult alle slechte mensen weigeren. Dat zeg je tenminste, en je verstaat de kunst om streng toe te zien. Maar komt iedereen bij jou met een open hart? Zij die binnenkomen, kennen zichzelf nog niet eens! Hoe zou jij ze dan kennen? …

Kun jij alle slechte gedachten uit je eigen hart bannen, zodat zelfs geen kwade ingeving daar binnendringt? Ik zal met zulke gedachten niet instemmen, zeg je. Maar zo’n gedachte komt toch binnen en ze beïnvloedt je. Want allen willen wij sterk van hart zijn en niets binnenlaten wat ons ten kwade kan beïnvloeden. Wie weet bovendien hoe zulke gedachten binnenkomen? Dagelijks leveren wij strijd in dat ene hart van ons. Één enkel mens strijdt in zijn eigen hart met een hele menigte tegenstanders. Hebzucht beïnvloedt ons, lust beïnvloedt ons, gulzigheid beïnvloedt ons, vulgair vermaak beïnvloedt ons, lust beïnvloedt ons, alles beïnvloedt ons. In alles moet men zichzelf bedwingen, op alles moet men antwoord geven, van alles moet men afstand nemen. In zulke omstandigheden is het moeilijk door geen enkele aanvechting geschaad te worden. Maar vindt men dan nog veiligheid? Hier in dit leven nooit en nergens. Onze enige veiligheid hier kan alleen gelegen zijn in de hoop op hetgeen God beloofd heeft.

Overweging

Geloof kan in de goede zin van het woord bergen verzetten, maar het kan zich in kwade zin ook ontpoppen als een moorddadig wapen dat gericht is tegen alles en iedereen. Extreme voorbeelden genoeg. Door de eeuwen heen is het voor gelovigen een bekoring geweest om uit te maken wie er nu wel of niet bijhoren.

De meetlat van wetten en bepalingen wordt steeds weer langs de leefwijze van mensen gelegd, om af te lezen wie aan de eisen beantwoordt, die het geloof stelt. Maar ook in de samenleving en de politiek wordt de meetlat weer strenger gehanteerd. Het vreemde en de vreemde die op onze vertrouwde akker verschijnen, dienen kordaat te worden aangepakt. Wie volgens de gestelde regels leeft, hoort erbij; wie niet aan de regels beantwoordt, staat er buiten.

Natuurlijk: in een gemeenschap moeten er regels en voorschriften zijn om het leven te regelen. Maar als ze belangrijker worden dan de mensen die ze moeten onderhouden, heb ik er grote moeite mee. Mensen blijven immers mensen met hun eigen beperktheden en zwakheden, zodat niemand ooit volledig kan beantwoorden aan de eisen die door de wet gesteld worden. Dat wil daarom niet zeggen, dat wij het recht hebben mensen af te schrijven of uit te sluiten van de gemeenschap waartoe ze willen behoren, ondanks het feit dat ze niet geheel beantwoorden aan de eisen, door de wet gesteld.

In het Evangelie laat Jezus in woord en daad zien, dat iedere mens voor hem belangrijk was. Juist ook degenen die openlijk bekend stonden als randfiguren, zodat hij daardoor in conflict kwam met de stipte wetonderhouders. Waar velen de neiging hebben om mensen met een afwijkend gedrag te negeren of uit te sluiten, zegt Hij: ho,ho, wacht even af waar dat naar toe groeit. Oordeel niet zo voorbarig, denk niet onmiddellijk dat de keuze die jij gemaakt hebt de enige juiste zal zijn. In de oogsttijd zal ik tegen de maaiers zeggen: haalt dan het onkruid bijeen, maar niet nú. Want misschien zie je iets over het hoofd. Misschien ga je teveel uit van jouw eigen korte zicht op mensen en dingen.

Ieder die vertrouwen heeft in de woorden en daden van Jezus Christus moet daarom weerstand bieden aan de bekoring en de tendens om uit te maken wie er goed en wie er slecht leeft.

Er is wel niemand anders te vinden in de christelijke geschiedenis die zo van binnenuit schrijft en spreekt over de vermenging van goed en kwaad in het menselijke bestaan dan Augustinus. Zijn eerste 30 levensjaren werden beheerst door vele driften. Maar er was ook een verlangen in hem naar waarheid. En langzaam maar zeker wist hij zijn hang naar het vele te richten op het omhelzen van het ene, de Ene. De onrust van zijn hart werd getemperd, toen hij de Ene daar toeliet. Maar nooit raakte hij gesetteld, altijd dreef het verlangen hem voort naar verder. ‘Onrustig is mijn hart, totdat het rust vindt in U.’ Niet voor niets verschijnen er tot op de dag van vandaag zoveel boeken over zijn leven. ‘Augustine: sinner en saint’ luidt een van de laatste titels. Mensen herkennen zich in hem: ‘dondersteen en heilige’ zo noemt één van de jongeren hem. Hoe ook: Augustinus heeft een gloeiende hekel aan de fijnen en reinen: degenen die zichzelf zó goed vinden dat ze menen zich boven ‘die anderen’ te mogen verheffen. Iedere geloofsgemeenschap moet weten dat ook in haar midden goed en kwaad door elkaar leven. De voornaamste taak van iedere plaatselijke geloofsgemeenschap en van de kerk als geheel is: uitnodigen; ongeacht kleur, aard, komaf, status, naam en noem maar op.

God zal wel voor de beoordeling zorgen, dat hebben wij niet te doen.

Wie een geloofsgemeenschap wil van mensen die precies volgens de regels leven, alleen maar mensen met een goed gedrag, die kan het wel vergeten. ‘Want op een of andere wijze zijn zelfs de goede mensen slecht, zoals ook op een andere manier de slechte mensen goed zijn.’

Ook in onze Nederlandse samenleving leven goed en kwaad dus door elkaar heen. Daarom mag ook de politiek daar niet zomaar op insnoeien. Dat mogen we ook niet van haar vragen. Want, zo hoor ik Jezus Christus en Augustinus zeggen: die mooie wereld zonder onkruid en misgroei bestaat niet. Rijp en groen, goed en minder goed groeien samen op. En God laat dit gebeuren totdat de tijd rijp is. Op den duur gaan onze ogen open en zien we wat er echt aan de hand is. Maar daarvoor is tijd nodig. God geve ons geduld om het uit te houden: ieder met zichzelf – met zijn medemensen- met zijn kinderen.

Hierop aansluitend wil ik graag eindigen met een gebed dat een jongeman schreef in de gevangenis, ergens in Nederland. Ik heb het persoonlijk van hem gekregen.

Ode aan mijn Vader

Heer ik ben zo onzeker
maar toch als ik denk
aan alle jaren van mijn leven
dan besef ik
dat ik eigenlijk zoveel geluk heb gehad.

Soms zeur ik dat ik vastzit,
dat Nederland zo oneerlijk is,
dat ik het zo slecht heb.

Heer u alleen weet
wie het echt slecht hebben op deze wereld.
Daarom ga ik ook niet zeuren tegen U,
maar ik wil U juist prijzen.

Ik ben het niet waardig
dat U uw kostbare tijd aan mij besteed.
Daarom vraag ik U maar één ding.

Heer laat de kinderen van deze wereld
niet verhongeren,
maar geef ze de kans
om te leren en te spelen,
moederliefde te kennen,
warmte te vinden bij U
en hoop te geven.

Ook zijn er veel mensen
op zoek naar een huis,
families uit elkaar gerukt
door oorlog en geweld.

Heer, ik weet dat mensen
onwetend kunnen zijn,
aan zichzelf denken
rijkdom en macht willen
maar ze weten niet beter.
Wilt U ze de weg wijzen

Hoe slecht het dan ook gaat:
al ben ik de laatste op aarde,
ik zal U blijven geloven
en hopen op uw terugkomst.
Ik weet dat ik niet volgens de bijbel leef,
slechte dingen heb gedaan,
en nog steeds aan het vechten ben
tegen slechte gedachten.

Heer ik weet,
dat U de Enige bent,
die in mijn hart kan kijken.
Ik weet dat ik ook,
met U in het paradijs zal lopen.
Pas dan zal mijn hart vervuld zijn
met rust en geluk.

(anoniem)

Joost Koopmans

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie