Uit het oog, niet uit het hart

Hemelvaart 2005, lezing: Handelingen 1, 1-11

Het feest dat we vandaag vieren is in onze tijd voor velen een vreemd feest. Moeten we feest vieren, als iemand van ons is heengegaan? Juist als iemand een goed en vredelievend mens is, wil je graag dat zo iemand langer in ons midden blijft. De dood, het heengaan, is onvermijdelijk, maar dat is geen reden om het heengaan van iemand feestelijk te vieren.

Toch is het vandaag feest, en dat roept de vraag op, waarom het heengaan van Jezus telkens weer gevierd wordt. Daar willen wij in deze dienst over nadenken.

Overweging

Zoals u zojuist gehoord hebt, is het verhaal van Jezus’ afscheid en hemelvaart genomen uit de Handelingen van de apostelen. Dit boek is geschreven door Lukas die ook een evangelie heeft geschreven. De voorstelling die Lukas ons geeft, is dat Jezus veertig dagen na zijn verrijzenis opgevaren is ten hemel. Het getal 40 duidt op voltooiing, op volledigheid. De apostel Johannes geeft een andere voorstelling van Jezus heengaan. In zijn evangelie neemt Jezus afscheid bij het Laatste Avondmaal, vlak vóór zijn lijden en sterven. Hij zegt tot zijn apostelen: ‘Het is goed dat ik heenga, want dan komt de Heilige Geest, die jullie tot begrip, tot begrijpen zal brengen, tot inzicht’.

Zo kunnen we zeggen: Verrijzenis, Hemelvaart en Pinksteren horen bij elkaar, zijn samen één, een en dezelfde werkelijkheid. Maar dat moet dan wel uitgelegd worden. Laten we uitgaan van wat we vandaag vieren: het heengaan, de hemelvaart van Christus. Het heengaan van Jezus, dat wil zeggen bij Johannes: zijn kruisdood, is de aanzet tot nieuw leven, tot een nieuw geloof door bekering.

Het gebeurt vaak bij profeten en andere heilige personen dat ze pas na hun dood begrepen worden, dat dan pas duidelijk wordt waar het hun om te doen was.

En zo was dat ook met Jezus het geval. Hij predikte het Rijk Gods, het rijk van liefde en vergeving. Maar de apostelen, en velen met hen, begrepen dat niet. Dat blijkt ook uit het verhaal van Jezus hemelvaart, zo juist voorgelezen. De apostelen vragen Hem: “Heer, ga je nu voor Israël het koninkrijk herstellen?” Ze verwachtten van Jezus bevrijding van het gehate Romeinse juk, zoals wij toentertijd tijdens de Tweede Wereldoorlog uitzagen naar de bevrijding van het Hitlerregime.

Maar daar was het in eerste instantie Jezus niet om te doen, bevrijding van de Romeinse onderdrukker. Althans, zo stellen de evangelisten het voor. Wat Jezus verkondigt en belooft, is geen bevrijding van de Romeinse overheersing, maar een bevrijding van het kwaad, en ook van de dood. Maar dat is voor de apostelen duidelijk geworden door Jezus heengaan, dit is bij Johannes zijn kruisdood. Dan pas begrijpen ze Jezus, dan komt Jezus voor hen in een nieuw daglicht te staan. Dan hebben ze de Geest ontvangen. En dan pas kunnen ze zeggen en verkondigen dat Jezus uit de dood is opgestaan. Pas als de apostelen de Geest hebben ontvangen, kunnen ze Jezus verkondigen als de verrezen Heer.

Paulus zegt: ik wil Jezus kennen, niet naar het vlees, maar naar de geest. Jezus leren kennen naar het vlees, wil zeggen, dat je weet waar hij geboren is, hoe lang hij geleefd heeft, waar en wanneer. Maar daar gaat het niet om. Wij weten daar ook niet veel over, over het verleden / het leven van Jezus.

Jezus is ook wat dat betreft, aan het oog onttrokken. Je kunt dat jammer vinden, maar zo heel erg is dat ook weer niet. Want het gaat om de Jezus die voortleeft in ons hart, in de liturgie van de kerk.

Het motto van deze viering is : “Uit het oog, niet uit het hart”. En daarom is het zaak dat we Jezus blijven gedenken in de Eucharistie, waarin we het heengaan vieren van Hem, d.w.z. van zijn lijden en sterven en van de overwinning op de dood. Daarin wordt ons geloof gewekt en versterkt.

Vóór zijn verrijzenis en de neerdaling van de H.Geest was het bij de apostelen “Niet uit het oog, wel uit het hart”.

Daarna was het, en is het nu voor ons, “wel uit het oog, niet uit het hart”. Laat het zo zijn.

Amen.

Martien van den Nieuwenhuizen osa

Naschrift

Nagekomen opmerking van Martien m.b.t. de vraag van de apostelen: “Heer, gaat u nu voor Israël het koninkrijk herstellen?”

Historisch gezien, is het niet uitgesloten, dat Jezus van Nazareth een bevrijding van het Romeinse bewind verkondigde en voorstond. Hij was wellicht één van degenen die bevrijding nastreefden van de Romeinse overheersing en zich daartoe een aanhang verschafte. Wat Jezus van die anderen onderscheidde, was dat hij geweldloos verzet pleegde. Vgl. Mt. 26,52: “Allen die het zwaard hanteren, zullen door het zwaard omkomen.” Je kunt in dit verband denken aan Gandhi, die ook geweldloos verzet pleegde tegen het Engelse koloniale regime.

Het is daarom waarschijnlijk – maar het blijft gissen! – dat Jezus daarom door de Romeinen ter dood is gebracht. De opzet van Jezus is dus, menselijkerwijs gesproken, mislukt.

Als dan na zijn dood Jezus verkondigd wordt als ‘de Gezalfde’ (Messias, Christos), een koninklijke titel, zijn de eerste christenen verdacht zowel bij de Romeinen als bij de Joodse overheid. Om zich daartegen te verweren, hebben zij benadrukt dat het niet om een herstel van een aards rijk gaat, maar om een nieuwe levenswijze, waartoe ook de heidenen worden opgeroepen.

Om zich een beeld te vormen van de situatie, de Sitz-im-Leben, is het goed te bedenken dat de evangeliën geschreven zijn kort na de val van Jeruzalem (behalve het evangelie van Johannes) ; tekstgedeelten, vooral uitspraken van Jezus, waren al lang in omloop. Het is een situatie, waarin ook christenen verdacht werden van deelname aan het verzet.

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie