Talenten: inzet en vertrouwen

Lezingen: 1 Korintiërs 13, Matteüs 25, 14-30

Nog een paar weken, en dan begint met de eerste zondag van Advent een nieuw kerkelijk jaar. Nu het nog niet zover is, zetten de verhalen aan het einde van het huidige jaar ons op scherp. De gelijkenissen laten ons zien waar het uiteindelijk op aan komt. Of, met andere woorden, wat is nu in evangelisch perspectief werkelijk van waarde in een mensenleven? Wat is hoofdzaak, wat bijzaak? In de dynamiek van elke dag, het werk, het gezin, het huis, de sociale contacten, de zorgen van alle dag, en noem maar op, lijkt die vraag wel eens onder te sneeuwen. Deze zondagochtend biedt ons de kans om er wel even bij stil te staan: waar draait het nu om, wat is nu werkelijk van waarde. Door er een korte tijd bij te verpozen, worden we op scherp gezet.

Het verhaal van deze zondag zal ons bekend in de oren klinken. De gelijkenis vertelt ons van de heer die zijn dienaren ieder een aantal talenten toevertrouwt. Na een tijd komt hij terug om hen rekenschap te vragen: wat heb je met de talenten gedaan? Het verhaal zal de meesten van ons bekend zijn, maar ik hoop u vandaag een nieuw en verrassend zicht te bieden op het verhaal. Dat doe ik, opdat wij straks, aangescherpt en wel de Eucharistie kunnen vieren en daarmee gesterkt en wel, onze dagelijkse gang weer kunnen oppakken.

Overweging

Het verhaal begint zo mooi en vredig. Eén heer en drie dienaren. De heer gaat op reis en vertrouwt in de tussentijd zijn dienaren talenten toe, ieder naar z’n bekwaamheid. Het verhaal start met een flinke dosis vertrouwen. Immers, een talent vertegenwoordigt de waarde van een modaal inkomen voor een periode van zo’n vijftien jaar. Je kunt zeggen dat alle drie – de één nog iets meer dan de ander – ieder een flink bedrag te beheren krijgen. Het is niet niks wat de heer hen toevertrouwt. Dat hij dat doet is een blijk van vertrouwen, hij waagt het erop om op deze drie mensen te bouwen. Als we dat horen, denken we: het wordt een mooi verhaal. Zo’n verhaal willen we best horen. Heel gemakkelijk herkennen we in de heer onze God: als de Algoede die veel aan mensen toevertrouwt, aan talenten, aan mogelijkheden, aan kansen, aan perspectieven. We hebben het graag zo. God is Iemand die ons de ruimte geeft, ons dingen toevertrouwt, die het goed met ons voor heeft.
Als een mooi verhaal gaat het verder. De eerste twee dienaren vertellen dat ze talenten hebben bijverdiend. De heer beloont hen beiden door te zeggen: “Uitstekend, goede en trouwe dienaar, over weinig (weinig? Heel veel!) waart ge trouw, over veel (nog meer?) zal ik u aanstellen.” Het weinige is goed voor nog meer. Zo herkennen we in de heer God, en zo willen we God kennen. Hij beloont daadwerkelijk het goede.

Maar dan, dan komt de derde dienaar. En dan gebeurt het onverwachte. Deze derde man was bang en is zijn talent in de grond gaan verbergen. Waarom dan toch, bang? Heeft hij zulke slechte ervaringen gehad? Was hij van nature bangelijk aangelegd? Met bang zijn of angst zijn ook wij allemaal vertrouwd, in meer of mindere mate. Bang voor de tandarts, bang voor de achtbaan, bang om iemand aan te spreken, angstig om wat die ander er wel niet van zal denken. We kruipen allemaal wel eens in onze schulp. Maar dat wegkruipen kan tot een levenswijze worden: ik durf niet, ik kan niet, ik ben er niet toe in staat, ik ben maar klein, ik ben … slachtoffer. Bang zijn of angstig kan zulke grote proporties aannemen dat mensen zich als slachtoffer gaan voelen van de grote boze buitenwereld, slachtoffer van alles wat anderen hen aan zouden willen doen. Er zijn mensen die zich nestelen in die rol. Het kan soms wel heel lekker lijken te zijn in zo’n rol als slachtoffer.

De derde man voelt zich als een slachtoffer van de te hoge, te harde verwachtingen van zijn heer. Hij is zijn talent, alles wat hem is toevertrouwt, gaan verbergen in de grond. In de grond, letterlijk struisvogel-politiek. En dan als hij terugkomt bij de heer, kunnen we hem zo voor ons zien: “H-e-e-r, … ik … eh … heb ervaren dat gij … een hard mens zijt, die oogst waar ge niet gezaaid hebt en binnenhaalt waar ge niet hebt uitgestrooid. Daarom … was ik bang en ben uw talent in de grond gaan verbergen. Hier hebt ge uw eigendom terug.” Als we hem zo zien staan — de bange dienaar voor de schijnbaar harde heer — nemen we het onbewust op voor deze kleine, bange, angstige dienaar. Hij is toch slachtoffer! Hij kan er toch niets aan doen?!

We gaan er maar al te graag vanuit dat de heer medelijden, compassie heeft met de bange en eerlijke dienaar. Als iemand zo nederig bekent wat hij gedaan heeft, met trillende knieën verslag doet van zijn werkzaamheden, dan verwachten we toch dat de heer begrip heeft, hem een nieuwe kans geeft en zijn nalaten vergeeft? Maar zo gaat het verhaal niet! We kennen nu de afloop van het verhaal: “Werpt die onnutte knecht buiten in de duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars.” Het verhaal begint met zoveel vertrouwen en het eindigt zo wreed en gewelddadig. Wat gaat er dan toch mis? Waarom lijkt de heer zo weinig compassie te hebben met deze derde man? Zo kan God toch niet zijn!

De verklaring van het handelen van de heer zit niet in de angst van de dienaar of in de schijnbare hardheid van de heer. Ik denk dat we die eerder moeten zoeken in dat talent. Wat was het dat de heer die derde dienaar had toevertrouwt? Welk talent is hij in de grond gaan verbergen? Een oppervlakkige lezing van het verhaal zou zeggen: geld. En de moraal van het verhaal zou dan zijn: woeker met je geld. Ik geloof echter niet dat Jezus zulke verhalen vertelde. Een iets minder oppervlakkige lezing zou zeggen: het gaat om dingen die je goed kunt, zoals sporten, musiceren, schilderen, installeren, en noem maar op. Dat kan, maar ik denk dat het verhaal nog dieper gaat. Ik denk dat het ene talent dat de heer toevertrouwt, een heel vermogen, een heel vertrouwen, nog iets veel fundamentelers betreft. Iets zo belangrijks dat je het niet in de grond mag verbergen. Waarvan voor iedereen direct duidelijk is dat je daarmee moet woekeren.

Al heb ik de gave der profetie, al ken ik alle geheimen en alle wetenschap, al heb ik het volmaakte geloof dat bergen verzet: als ik de liefde niet heb, ben ik niets. Al deel ik heel mijn bezit uit, al geef ik mijn lichaam prijs aan de vuurdood: als ik de liefde niet heb, baat het mij niets.

Ik denk dat dat ene, meest fundamentele talent liefde is. Liefde is de zorg en aandacht, de genegenheid, de belangstelling, het mede-lijden, de betrokkenheid bij de naaste. De naaste die je kent, je familie, je vrienden, maar ook de naaste die je niet kent. Liefde is geen SBS-stoommaaltijd: even in de magnetron en klaar, ook geen Talpa-instantpudding: even roeren en klaar. Liefde is je de vraag stellen: is mijn naaste gelukkig? Is mijn onbekende naaste gelukkig? En in beweging komen, opdat zij gelukkig kunnen zijn. Van je liefde uitdelen om haar te vermeerderen.

En dat deed de derde man niet. Hij verzuimde. Hij verborg het talent van liefde in de grond. Hij was bang geweest, en wie weet, was zijn bang zijn wel een heel terechte emotie. Misschien had hij wel negatieve ervaringen achter de rug en was hij gekwetst. Hoe dan ook: dat geeft hem geen vrijbrief om erbij neer te zitten, om zich in het zelf-mede-lijden te nestelen. Anderen hadden hem kunnen helpen om die liefde weer op te pakken en te helpen groeien. Eerst bij zichzelf, en dan bij anderen. Maar dat deed hij niet, hij was zelfs niet bereid geweest om anderen te vragen hem te helpen (de banken).

Terug nu naar onszelf. Iedere mens stelt zich heel terecht de vraag: Ben ik gelukkig? En handelt daar naar. Het verlangen gelukkkig te zijn zet hem in beweging. Maar ieder mens heeft ook de verantwoordelijkheid om zichzelf de vragen te stellen: Is mijn naaste gelukkig? Is mijn onbekende naaste gelukkig? Ieder zal zich al de vragen stellen én verlangen er naar te handelen, opdat hij of zij en de naasten daadwerkelijk gelukkig zullen zijn. Het is het verlangen om liefde te delen, delen om te vermenigvuldigen, uitdelen om te vermeerderen. Wie dat niet doet, die is als de derde man die het meest kostbare talent begraaft in de grond. En dat, dat is eeuwig zund.

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie