Mensenrechten in beweging

Lezingen: Exodus 20, 1-17 en Matteüs 25, 31-46

Het is vandaag weer Amnestyzondag in de Boskapel. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik voel me daar niet altijd gemakkelijk bij, bij het werk van Amnesty. Het is natuurlijk goed werk, en goed dat het gedaan wordt, maar het brengt ook allerlei dingen onder je aandacht waarvan je zou willen dat ze niet waar waren. Dingen die je een machteloos gevoel geven. Wat kun je aan al die ellende doen? Wat kan zelfs Amnesty eraan doen? Dan is het goed om te bedenken dat Amnesty zelf is ontstaan uit zo’n gevoel van machteloosheid.

In 1961 dacht Peter Benenson, een advocaat uit Engeland: als we al onze machteloosheid nu eens bundelen, zou er iets gedaan kunnen worden dat effect heeft. En hij startte een campagne om mensen vrij te krijgen die vast zaten omdat hun mening of religie niet geaccepteerd werd door hun regering. De actie, die bedoeld was voor een jaar, werd het begin van Amnesty International. Peter Benenson overleed dit jaar op 25 februari, 83 jaar oud.

Vandaag willen we stil staan bij rechtvaardigheid, bij de verschillende manieren waarop mensen dat ideaal hebben proberen te verwoorden en te realiseren. We luisteren naar grote teksten: de tien geboden, de werken van Barmhartigheid. Teksten waarbij we in de Boskapel al wel eens hebben stilgestaan. Niet om ze nu nog een keer in detail te bekijken, maar om ze te bekijken als stappen op de weg naar Gerechtigheid. Een weg die we, gezamenlijk en individueel, zelf ook willen gaan.

Zoals het oude Chinese spreekwoord zegt, dat Benenson inspireerde: het is beter om een kaars aan te steken dan de duisternis te vervloeken.

Overweging

Zojuist hebben we de tien geboden opnieuw gelezen en misschien hebben we ook gemerkt hoe oud die tekst eigenlijk is: hij gaat over een God die kinderen laat boeten voor de zonden van hun ouders. Het is een tekst, die vrouwen ziet als op de een of andere manier het bezit van hun man. Het is een tekst die ‘naasten’ definieert als ‘mannen met bezit’. Luister nog maar eens naar het laatste gebod: Zet uw zinnen niet op het huis van uw naaste, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort. In de tekst die werd voorgelezen werd steeds ‘de ander’ gezegd, maar het woord dat in het Hebreeuws wordt gebruikt, betekent eigenlijk: ‘uw naaste’. Wat nu? Is al die bewondering van de kerk voor de tien geboden dan onterecht?

Bij dergelijke problemen met een tekst, als de ouderdom erg voelbaar wordt, zijn we intussen gewend te zeggen: je moet een tekst ook in zijn tijd zien. En ja, in die tijd was dat gewoon zo. Ook in Griekenland bijvoorbeeld, dat wij in het Westen zien als de bakermat van de demokratie, was het precies hetzelfde. Stemgerechtigd waren alleen mannen met bezit. Die vormden het volk dat regeerde, de demokraten. Maar de definitie van ‘naaste’ als gezeten burger is ook niet het revolutionaire van de tien geboden. Dat moeten we ergens anders zoeken. Want het is opvallend dat in Israël juist deze tien woorden ervaren werden als het hart van de wet, en andere niet. Het oude Israël, en de Joden nu, kennen meer dan 600 wetten die zij ervaren als door God gegeven. Maar van al die wetten over reinheid, voedsel en de eredienst is er geen een in de ‘top tien’ terechtgekomen. Alleen geboden over de juiste verhouding tot God en tot de naaste. Alleen woorden over gerechtigheid, rechtvaardigheid. Dat is de pure winst van deze woorden. En zo zien wij Griekenland nog steeds als de bakermat van de demokratie, en deze tien woorden als de bakermat van het streven naar gerechtigheid. En rechtvaardigheid is geen statisch begrip, het is in beweging.

Die beweging zien we, heel aarzelend, een paar eeuwen later. Als je de Bijbel van kaft tot kaft leest, kom je in het boek Deuteronomium nog een keer het verhaal tegen van God die zijn volk de tien geboden geeft. Een paar eeuwen na het boek Exodus nog eens opgeschreven, bijna hetzelfde, maar net niet helemaal. In de geboden zijn op een enkele plaats hele kleine dingen veranderd. Kijk bijvoorbeeld weer eens naar het begin van het laatste gebod. Dat klonk in Exodus zo: Zet uw zinnen niet op het huis van uw naaste, zet uw zinnen niet op zijn vrouw, zijn slaaf, zijn slavin enzovoort. De vrouw staat hier in één adem genoemd met de slaaf en alle andere mensen, dieren en dingen die tot het huis behoren. In Deuteronomium staat: Zet uw zinnen niet op de vrouw van uw naaste en zet uw zinnen niet op het huis van uw naaste, zijn slaaf, zijn slavin enzovoort. Het lijkt erop, dat de positie van de vrouw in die eeuwen wat in beweging geraakt is, wat opgewaardeerd is. Zij heeft een eigen plaats gekregen, los van het huis en wie en wat daarin is. Het kan nóg beter, maar: rechtvaardigheid in beweging. Dat is de wil, dat is het woord van God.

Nog weer eeuwen later: Jezus vertelt over het laatste oordeel. Je doet Gods wil als je oog hebt voor je naaste in nood. Nog meer beweging. Radicale beweging. De naaste, dat is niet meer, net als jijzelf, die gesettelde meneer, die het helemaal gemaakt heeft. Nee, je naaste, dat is degene wiens nood je ziet en die je helpt. Sterker nog, als jij helpt wie in nood is, dan pas wordt jij een naaste, de naaste van die mens. Rechtvaardigheid in beweging wordt liefde, naastenliefde.

En rechtvaardigheid als liefde in beweging herkent, weer eeuwen later, dat wat als liefde bedoeld is, mensen afhankelijk kan maken en zelfs kleineren. Caritas. Paternalisme. De bedoelingen zijn goed, de resultaten vaak ook, maar toch. Mensen mogen niet afhankelijk zijn van goede bedoelingen; ze hebben recht op een menswaardig bestaan. Veel gedetailleerder: het recht om niet gediscrimineerd te worden, het recht op recht op leven en onschendbaarheid van je persoon, het recht op vrijheid (geen slavernij), het recht om niet wreed behandeld of gestraft te worden, het recht om als persoon voor de wet erkend te worden, het recht op gelijkheid voor de wet, het recht op rechtshulp en een openbare behandeling van je rechtszaak, het recht op bescherming tegen inmenging in je persoonlijke zaken of aantasting van je eer en goede naam, het recht je vrij te verplaatsen en terug te mogen keren naar je eigen land, het recht om asiel te zoeken, het recht op een nationaliteit, het recht om in vrijheid te trouwen, het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, het recht van vrije meningsuiting en meningsvorming, het recht van vrije vergadering, het recht om deel te nemen aan het bestuur van het land en niet uitgesloten te worden van de mogelijkheid tot werk bij overheidsdiensten, het recht op maatschappelijke zekerheid, op arbeid, gelijke en rechtvaardige beloning, en om lid te zijn van een vakvereniging, het recht op rust en vrije tijd, het recht op een aanvaardbare levensstandaard, met bijzondere bescherming voor moeders en kinderen, het recht op onderwijs en het recht op vrije deelname aan het culturele leven, en tot slot het recht op een maatschappelijke en internationale orde die deze rechten en vrijheden kan garanderen. Dat is een beknopte weergave van de universele verklaring van de rechten van de mens.

Rechtvaardigheid, naastenliefde, mensenrechten in beweging. En dit zal niet het einde van die beweging zijn. Als mensen eeuwen later terug zullen kijken op de universele verklaring van de rechten van de mens, doen ze dat hopelijk vanuit een nog beter besef van rechtvaardigheid, met een nog beter oog voor de naaste, met een nog grotere bereidheid om de naaste te zijn van degene die behoefte heeft aan iemand die hem of haar bijstaat.

Ik heb tot nu toe een beetje gepraat alsof de rechtvaardigheid zomaar zelf in beweging is. Dat is natuurlijk niet zo. Het zijn altijd mensen die de rechtvaardigheid in beweging zetten en door het ideaal van rechtvaardigheid in beweging gezet worden.

Dat gold ook voor Peter Benenson, dat geldt ook voor Ammnesty International. In de afgelopen ruim 40 jaar heeft Amnesty zich ingezet voor gewetensgevangenen, mensen die gemarteld worden, mensen die zomaar ‘verdwijnen’, vluchtelingen, asielzoekers en tegen de doodstraf. Regels veranderen, worden humaner (maar vaak nog niet genoeg), er komen zelfs mensen vrij. Een triomf voor de gebundelde machteloosheid, al blijft er nog zo heel veel te doen. Amnesty International is in beweging gezet door mensen en zet mensen in beweging. Ook in de Boskapel. De beweging van rechtvaardigheid gaat steeds verder, als je je laat inspireren door de tien geboden, de werken van barmhartigheid, de universele verklaring van de rechten van de mens. Die moeten toch waar worden?

Dat de gerechtigheid ons allen mag inspireren en in beweging mag zetten. Amen.

Karel Peijnenborg

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie