Geloof en leer

Lezing Matteüs 15, 21-28 (Naar Tyrus en Sidon)

Centrum van de Boskapel is de tafel des Heren, met daarachter het kruis. Je kunt er niet langs kijken, dat kruis is het enige ornament in de Boskapel; een vertrouwd beeld, maar we realiseren ons nauwelijks dat het kruis vanouds het symbool is van geloven, van ons geloof.

Geloof en geloven kunnen botsen met officiële stellingen en starre leer. Zo’n botsing veroorzaakt conflicten en tweedracht; in het evangelie van vanmorgen horen we daar een staaltje van. Van Augustinus is de uitspraak: “Geloven is aannemen wat men niet kan zien; de beloning hiervan is te zien wat men gelooft.” Ook dat wordt in het evangelie ondubbelzinnig aangetoond.

Overweging

Het verhaal dat Mattheus in het 15e hoofdstuk van zijn evangelie heeft opgeschreven wekt op het eerste gehoor verwondering, zoniet verbazing en onbegrip. De woorden van Jezus tot de Kanaänitische vrouw klinken behoorlijk bars en weigerachtig. “Ik ben niet gekomen voor mensen van jouw volk, maar voor de kinderen van Israël”, zegt hij glashard. In datzelfde hoofdstuk staat – voorafgaand aan dit verhaal – het verslag van een discussie tussen Jezus en de farizeëen en schriftgeleerden, die niet mals is. Het ging tussen hen over het onderhouden van de reinheidswetten; de farizeëen verwijten Jezus dat zijn leerlingen hun handen niet wassen voor zij hun brood eten. Dat ging tegen de traditie van de oudsten in, en daar maakten de farizeëen zich druk om.Jezus verwijt hun dan terecht dat zij hun eigen traditie belangrijker vinden dan de geboden van God. Ze leven naar de letter, niet naar de geest, en het zijn huichelaars. Hij haalt woorden van Jesaja aan: “Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij.”

Begrijpelijk dat Jezus geprikkeld is door de opmerkingen van deze letterknechten. Is het daarom dat hij daar wegtrok en uitweek naar het gebied van Tyrus en Sidon, het land van de heidenen? Daar lijkt hij een staaltje van discriminatie te vertonen, als hij de dringende vraag van een heidense vrouw aanvankelijk negeert. “Stuur haar weg”, adviseren de leerlingen, “we kunnen dat geschreeuw niet hebben.”

Of wilden ze zeggen: “Geef haar d’r zin nou maar, dan raken we haar tenminste kwijt.”?

De vrouw houdt aan, en Jezus raakt onder de indruk van haar argument om haar te helpen. Het ís ook een sterk argument, dat wij herkennen en tot op de dag van vandaag gebruiken: Kruimeltjes zijn ook brood. Jezus wordt aan het twijfelen gebracht en moet allengs gedacht hebben: “Iemand met zo’n groot geloof kan ik niet onverrichter zake wegsturen.” Het is niet zó maar dat zij Jezus aanspreekt met “Heer” en zijn joodse titel “Zoon van David”. Daarmee gaf zij te kennen dat zij in Jezus de profeet en gezalfde ziet die haar kon helpen. Zij gelooft in hem, niet op grond van traditie of wet, maar van onderop, diep in haar hart. En waar de vrouw uit de grond van haar hart op vertrouwt, dat gebeurt à la minute, als Jezus zijn twijfels overwonnen heeft.

Geen discriminatie dus, geen uitsluiting: brood voor iedereen. Die conclusie klinkt hoogst aktueel, en raakt aan de problematiek van onze dagen, waar vluchtelingen en asielzoekers in vertrouwen om ruimte vragen, om de kruimels van onze tafel die van overvloed doorbuigt.

Er is nóg zo’n verhaal in het evangelie waarin genezing op afstand plaats vindt: het verhaal van de Romeinse honderdman, die Jezus vraagt zijn knecht te genezen. Ook een heiden, ook een man uit een ander volk. Het verhaal van de Kanaänitische vrouw hoor ik liever, al was het maar omdat hier een vrouw het woord richt tot Jezus. Als het om geloof en religie gaat, komen vrouwen nog steeds te weinig aan het woord in onze kerken, en al helemaal niet omdat men in Rome de vrouwen in de kerk beschouwt als evenzovele Martha’s en ze in die rol wil houden.

Herinnert u zich nog het bezoek van de vorige paus aan Nederland, en hoe hij toen werd toegesproken door Hedwig Wasser, de latere voorzitter van de Acht Mei-beweging? Zij nam geen blad voor de mond, zij sprak uit haar hart en had een dringende vraag aan de paus: Wanneer mogen wij vrouwen ook gaan meespreken in de kerk? Maar het antwoord van de paus is uitgebleven; er heerste na haar woorden “silentio”, een stilzwijgen dat nog steeds voortduurt.

Het geloof van binnen uit, van onderop – zoals theoloog Leenhouwers het noemt – krijgt ondanks alle kerkelijke en dogmatische formules en bepalingen uit het verleden meer ruimte en meer aanzien. Het is opvallend dat het griekse woord voor geloof (pistis) ook vertrouwen betekent. Onder geloof werd en wordt vaak verstaan: het aannemen van waarheden met je verstand op gezag van een ander. Vertrouwen is veel meer persoonlijk; wie op iets of iemand vertrouwt doet dat op eigen gevoel, zonder dictaat. Zo is het geloof in bijbelse zin geen zaak van je hoofd, maar van je hart. Het heeft alles te maken met vertrouwen op en vasthouden aan. De Kanaänitische vrouw was vasthoudend, zij kwam dichterbij, tot aan de grens tussen het volk van Israel en de heidenen, en ze had een steekhoudend argument om Jezus over de streep te trekken. Zo kon hij over zijn theoretische bezwaren heen stappen.

Werkte dat geloof van die vrouw niet wederkerig op Jezus? Zij kwam uit het diepst van haar moederhart op voor het heil van haar kind, zij vroeg niet iets voor zichzelf maar voor haar dochter. Zo kwam zij over op Jezus, een eerlijke, waarachtig levende vrouw, een medemens die in haar nood om hulp vroeg. In haar verhaal zien wij een staaltje van metterdaad geloven, van in elkaar geloven.

Wie zo gelooft, wie aldus vertrouwen heeft, sluit niemand uit maar is er voor de ander. Geen hokjesgeest, geen heilige huisjes! En geen gekissebis over wie of wat wel en wie of wat niet!

Het kruis is zo’n sprekend symbool van geloven: het heeft een horizontale en een verticale balk. Horizontaal verwijst het kruis naar de mensen links en recht van ons, verticaal wijst het naar boven. Het punt waar de balken elkaar kruisen, het kruispunt, is het trefpunt van God en mensen. Geloven op maat betekent dat niemand langs de lat van hèt geloof gelegd wordt. Het is geloven met twijfels, en als het geloof op de proef gesteld wordt, rondwaren in duisternis. Huub Oosterhuis heeft dat zo mooi verwoord met de term tastend geloven.

In deze dagen, nu pers en media volop aandacht schenken aan de ontmoeting van jongeren uit de hele wereld in Keulen, las ik het roerende gebedje van een postmodern meisje dat bad: “God, ik geloof wel niet in U, maar ik bid tot U voor mijn vriend die wel in U gelooft”.

Veertig jaar geleden schreef Gerard Reve het gedicht Dagsluiting. Het is ook een passend slot aan deze overweging:

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik dat Gij liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in zelfde wanhoop,
Gij mij zoekt zoals ik U.”
Uit: Nader tot U

Koen van Rossum

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

1 Reactie naar Geloof en leer

  1. Louis de Mast schreef:

    Koen, mijn respect voor woorden die uit je hart komen. Nu heb ik het idee dat we iets wezenlijks gemist hebben, op retraite bij de Augustijnen te Bagneux en op zoek naar eigen verdieping. En dat is een goed teken.
    Helaas heb ik geen toepasselijk suikerklontje kunnen vinden.

Geef een reactie