Doe zoals God, word mens!

Lezing: Lucas 2, 1-14 (De geboorte van Jezus)

Welkomstwoord

Vrede, genade, God om je heen, U allen hier samen gekomen onder het sterrenblinken en weet je zonder uitzondering welkom in de Boskapel!

Midden in de winter willen wij ons warmen aan het feest van licht en vrede: Kerstmis. Toch speelt het kerstverhaal zich af in een onherbergzame wereld: ‘er was geen plaats in de herberg voor de man met zijn zwangere vrouw’. De geschiedenis lijkt zich te herhalen, tot op de dag van vandaag, want er zijn veel mensen die geen plaats vinden in de herberg van onze samenleving.

  • denk bijvoorbeeld aan het vluchtelingengezin dat hier niet mag blijven en ook niet terug kan naar het vaderland;
  • denk aan de etiketjes die het instituut Kerk plakt op bijv. bevrijdingstheologen, kritische basisgroepen, homo’s en lesbiennes;
  • denk aan zoveel mensen gebogen onder hun last, die het in een gelikte en snelle samenleving maar zelf moeten uitzoeken.

Als Boskapel willen wij wél plaats bieden aan ontheemden, aan zoekers en twijfelaars, aan naar-de-rand-geschoven mensen. En wie van ons loopt er geen schrammen op onderweg?
Hier willen wij een herberg zijn, waar plaats is voor velen, aandacht voor elkaar, luisteren naar elkaar. Hier worden wij uitgenodigd door de grote herbergier, die ons zijn visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde vertelt, die zijn brood met ons deelt, en een beker van vreugde schenkt. Hij wil er één groot gemeenschapsfeest van maken, en het enige dat hij van ons vraagt is dat ieder daar een bijdrage aan levert, en niet onverschillig blijft.

Dan wordt het een hartverwarmend Kerstfeest. Ik wens ons een goede viering

Overweging

Stel je voor: een groep van ongeveer 30 personen is op pelgrimstocht in Assisië. Zij wilden naar de plek waar Franciscus en zijn broeders zich vaak voor langere tijd terugtrokken voor gebed en bezinning. De weg daar naar toe zouden ze in stilzwijgen afleggen. Nu was er onder hen een 70jarige man die een heupoperatie had ondergaan. Die operatie was niet zo goed gelukt. Daarom moest hij heel voorzichtig en langzaam lopen. De groep raadde hem aan een taxi te nemen. Maar de man wilde, net als de anderen, de weg naar Fransiscus’ verblijfplaats te voet afleggen en liet zich daarvan niet weerhouden. De hele groep moest zich nu aan zijn langzame tempo aanpassen.

Maar kijk: dáárdoor werd het juist een onverwachte belevenis! Het bos waardoor ze liepen, gaf zijn geheimen prijs: de kever die de weg overstak, de fijne adertjes in de steen, de wortel hier en de boomschors daar, de bloemen, de bladeren, de takken en de struiken, het fluiten van de vogels, het geruis van de bomen, de eigen adem en nog veel meer. ‘Wij zagen meer, wij hoorden meer, wij beleefden onszelf op een wijze, zoals ons anders niet mogelijk was geweest. De gehandicapte man gaf ons een ander tijdsbesef. We hoefden helemaal niet op een bepaald tijdstip ergens te zijn. We deden het stap voor stap, en iedere stap was weer een openbaring’ getuigden ze na afloop. uit: Kerugma 49

Ja, God is heel groot, maar Hij laat zich vooral zien in de kleinste dingen. Maar past dat voor ons moderne levensgevoel wel bij elkaar? Wat heeft in onze prestatie-maatschappij God en kribbe of God en kruis met elkaar te maken? Een kind in een voerbak en een berooid ouderpaar hebben toch niets van doen met ons idee van een nieuwe wereld en onze zoektocht naar zin? Maar dan hoor ik Jacqueline, een van onze jongeren, daar juist zeggen dat we verder moeten kijken dan het verhaal: ‘Ik kom hier met Kerst om met anderen de wedergeboorte van het vredeskind in onszelf te vieren.’

Inderdaad: het is onze oermenselijke opdracht om echte mensen te worden met alles wat daarbij hoort. God zelf wilde mens worden en daarom daalde Hij af in het kind in de kribbe. In dit weerloze kind kun je beseffen wie je in oorsprong bent en welke mogelijkheden er in je zijn. Maar het hele verhaal rond zijn geboorte doet je ook beseffen dat weerloosheid met voeten wordt betreden:

  • er worden onmenselijke wetten uitgevaardigd;
  • er wordt onmenselijk opgetreden tegenover een zwangere vrouw;
  • sommige mensen hebben een groot huis en de anderen liggen op straat of wonen in grotten en tenten;
  • er zijn mensen die een groot imperium opbouwen en daarbij over lijken gaan.

Temidden van deze onmenselijkheid roepen we in het donker van de kerstnacht ‘Doe zoals God, word mens!‘ Word als een kind. Leer dus weer spelen, lachen en huilen, vertrouwen en naar liefde verlangen. Leer weer afhankelijk te zijn en hulp te aanvaarden.
Doe zoals God en deel je leven met anderen:

  • ga aan de kant staan van de armen, van degenen die honger hebben, van de mensen die niets of bijna niets hebben.
  • Laat je niet wijsmaken dat je de mensheid kunt verdelen in aan de ene kant goede, en aan de andere kant slechte mensen.
  • Stap over de regels van het instituut heen als het welzijn van mensen daarom vraagt.
  • Doe zoals God en wordt mens: vergeef telkens weer, en wens ieder die van goede wil is vrede!

Van goede wil zijn we allemaal, anders zaten we niet hier. Alleen: dat vredeskind in onszelf heeft niet altijd de ruimte om aan het licht te komen. We blijven ergens steken tussen licht en donker. Zoals onlangs iemand zei: ‘Ik kan echt uitzien naar Kerstmis, maar zo’n Eerste Kerstdag valt me altijd wat tegen. Ik vind dan eigenlijk niet goed wat ik ervan verwachtte. Er zit teveel in de weg, zoals drukte, haast, lawaai, verplichte bezoekjes of misschien ook wel zorgen en verdriet. Ik kom er niet echt aan toe.’

Een herkenbaar geluid: dat we niet toekomen aan ons diepste verlangen naar vrede met onszelf en misschien ook niet met onze medemens. Maar door alles heen gaan we daarnaar toch op zoek.

Vier weken lang zijn wij met elkaar, tijdens de Adventsvieringen, weg naar binnen gegaan. Het labyrint op de vloer verbeeldt dat. Wellicht zijn er diepere lagen in onszelf geraakt. Het is een laag waar je niet zo vaak komt, omdat je daar heel kwetsbaar bent. Het is daar ‘stille nacht, heilige nacht….’. Daar ligt het kind in jezelf verborgen, goddelijk gaaf en nog helemaal puur. Het is jouw eigen glanzende kern en die bestaat nog steeds.

Vandaag in deze viering maken we contact met deze glanzende kern, dat goddelijke kind in onszelf. Enerzijds is het nieuws , maar van de andere kant ook zo vertrouwd; het hoort helemaal bij ons. Als je het ontdekt, heb je er altijd weet van gehad, en kom je thuis bij jezelf. Jij bent de moeite waard, en niet zozeer je opleiding of je iets groter huis.

Het gaat erom wie je bent, en niet om wat je hebt. Je hebt geen schijngeluk meer nodig en je hoeft ook niet zo nodig in de spotlights, want het licht schijnt nu van binnenuit. En ook al bereikt je het geluk nooit helemaal en blijft er een stuk eenzaamheid over, omdat het geluk niet maakbaar is, toch heb je het leven lief.

En dat wil je delen (het labyrint loopt ook van binnen naar buiten) , delen in herbergzaamheid voor de vreemdeling, gastvrijheid voor weduwe en wees, openheid voor de noodlijdende. En je ervaart: de herberg die je een ander biedt, geeft jezelf een dak boven je hoofd.
Zo mogen we allemaal meer mens worden, eindelijk geboren, eindelijk vrede op aarde!
Dat is het toch, waarnaar wij zó ontzettend verlangen!

osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie