De slechte pachters

Lezing: Matteüs 21, 33-39

Welkom in de Boskapel op deze eerste zondag van oktober. Oktober: wijnmaand. De lezingen sluiten in zover daarop aan, dat ze gaan over een wijngaard. Daarmee wordt bedoeld het land en volk dat God ten harte gaat: Israël. En breder: zijn wereldwijde Koninkrijk, de mensheid, de aarde. Vandaag wordt ons vooral verteld dat degenen aan wie de wijngaard is uitgeleend, er niet goed voor zorgen. De wijnstokken brengen geen of slechte vruchten op.

Het zijn verhalen om eens kritisch te kijken naar onze eigen verantwoordelijkheid als beheerders van de schepping. Wij hebben heel deze aarde met alles erop en eraan tot en met onszelf toe, te leen gekregen. Wat betekent dat voor onze omgang met de natuur, met onze talenten, met ons leven? Hoe zorgvuldig gaan we daarmee om?

Overweging

In dit evangelie klinkt Gods teleurstelling door, die de aarde aan ons heeft uitgeleend om ervan te genieten. We hebben haar in pacht gekregen als een plek om met elkaar te delen in gerechtigheid en vrede. Maar de mensheid neigt er steeds weer toe om deze plek, en haar bewoners, als haar bezit te beschouwen. En Jezus heeft dáárbij, in deze gelijkenis, vooral het gezag op het oog: de hogepriesters, de oudsten en de Farizeeën. Zij kennen de Schrift en de oproep van de profeten tot gerechtigheid. Maar díe verkondigen ze niet meer. Zij hebben zich bevoorrechte posities verworven, het gaat hen om hun eigen gezag. Daar hangen ze zó aan, dat ze geen oog meer hebben voor de mensen, voor wie ze zijn aangesteld. Het lijkt er eerder op dat de mensen er zijn voor hen. In plaats van pachters voelen ze zich eigenaars van de wijngaard, en daarop geeft Jezus hen profetische kritiek.

Het is een herhaling van zetten, heel de geschiedenis door. Mensen neigen er steeds weer naar toe de wereld, en haar bewoners, als hun bezit te beschouwen. Zo ontstaan er verschillen tussen rijken en armen, goeden en slechten, wij en zij; die vervloekte tweedeling waardoor samenleven en samen verder onmogelijk wordt gemaakt. Keer op keer, met eindeloos, bijna naïef geduld, stuurt God dan zijn profeten op pad om de mensen daarop aan te spreken; onrecht aan te klagen; en het visioen levend te houden van een wereld waarin Gods bedoelingen wel werkelijkheid zijn geworden. De eerste lezing van Jesaia is daar een voorbeeld van.

Maar die profetieën zijn niet populair. De eeuwen door zijn profeten afgewezen en zelfs mishandeld. En nu, met Jezus, is die lijn op een dieptepunt aangekomen. Hij, de Zoon van de eigenaar, vat nog één keer alles samen wat de knechten gezegd en gedaan hebben. Hij is de laatste uitgestoken hand. En kijk: de pachters, de leiders van het volk, slaan die hand weg. Ze wijzen ook Jezus af. Omdat hun eigen gezag op het spel staat. Tenslotte deinzen ze voor niets terug en vermoorden Hem. Een verbijsterend verhaal, maar helaas maar al te herkenbaar. Zo gaat het namelijk ook in onze wereld. Mensen beschouwen elkaar maar al te vaak als eigendom, als middel tot een doel. We kennen er genoeg voorbeelden van. De ene zwijgt de ander, die niet in zijn kraam past, dood of pest de ander dood. Net zolang tot die ene er niet meer is en de ander het alleen voor het zeggen heeft. Dat doen de mensen ook met de aarde. De aarde vermoorden, er zo mee bezig zijn voor eigen gewin, dat velen onder rampen gebukt gaan. Dat kunnen mensen ook met God doen: Hem doodzwijgen. En tenslotte constateren dat ze autonoom zijn en denken dat ze het alléén voor het zeggen hebben: een Goddeloze samenleving. Zo doen de pachters: ze schakelen de tegenpartij uit en hebben het rijk alleen. ‘Na ons de zonvloed….’.

Een pessimistisch verhaal? De dreigende woorden op het eind: ‘Het koninkrijk wordt jullie afgenomen en het wordt gegeven aan een volk dat wél vruchten voortbrengt’ …

Dat volk, daarin zit hem de crux. Want wie zijn dat? De volgelingen van de vermoorde Jezus van Nazareth? Na 20 eeuwen christendom lijkt het de vraag of christenen het nieuwe volk zijn dat de vruchten van het Koninkrijk van God opbrengt. Laten we bescheiden zijn.

In de context van de gelijkenis moeten het wel de gewone Joodse gelovigen zijn. De leiders haken af. Maar daar, waar het volk zelf vrucht draagt, gaat het koninkrijk verder. En verder lezend in het Evangelie van Mattheus blijkt dat het volk uit randfiguren bestaat: hoeren, tollenaars, zwervers, kortom: de niet-geslaagden, de laatsten. De mensen op wie wordt neergekeken. Ik zou er zelf niet opgekomen zijn! Maar Jezus beoordeelt hen niet op hun zwakke kanten. Zijn uitnodiging om met Hem mee te doen, geldt voor iedereen. Ieder mens is geroepen tot belangeloze liefde. De manier waarop Jezus dat verkondigt in woord en daad, slaat blijkbaar aan bij de randfiguren. Zij nemen de uitnodiging aan, en dat bevrijdt hen van hun zonde. Zo gaat het koninkrijk door met gewone, lage mensen. Met wie maar wil; ook met ons dus! In de volgende parabel krijgen we dat wéér te horen!

Als wij mensen niet als eigendom beschouwen, maar liefde en geduld voor elkaar opbrengen; als wij niet naar willekeur beschikken over de aarde, maar onszelf zien als Gods madewerkers in het scheppingswerk; als wij ook ons eigen lichaam en onze eigen talenten niet verkwanselen of alleen maar gebruiken voor eigen genot, maar inzetten voor elkaars geluk, dan zullen wij vruchten dragen, en brengen wij Gods Koninkrijk dichterbij, tot geluk van onszelf en van velen!

Joost Koopmans, osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie