Volgeling zijn

Lezing: Lucas 9, 51-62

Vandaag is het een jaar geleden dat we met dit lijflied van de Boskapel ons 40 jarig jubileum openden: Zomaar een dak, waaronder het Woord leeft voor die horen en samen vieren. Welkom dan, allemaal!

Er is een tijd van terugzien op de wederwaardigheden van de afgelopen decennia. Reünies zijn werkelijk grote feesten. Maar er is ook een gezegde uit het Evangelie: “Niemand die de hand aan de ploeg slaat en omziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk van God.” De vrouw van Lot lijkt daarvan het sprekende voorbeeld. Ze ging met haar rug naar de toekomst staan en werd haar eigen monument: een zoutzuil!

Verhalen van vroeger: o.k, maar het motto van ons 40-jarig jubileum luidde: “Om door te gaan”. Ook vandaag trekken we weer verder. Verder trekken, wat betekent dat? Daarover gaat het vandaag.

Overweging

“Dat Koninkrijk van U, wordt het nog wat?”

Zo luidt de laatste regel van een gedicht dat Gerard Reve maakte voor zijn buurvrouw naar aanleiding van het ongeluk van haar jonge zoon. “Graf te Blauwhuis” staat er boven en dan:

Hij rende weg, maar ontkwam niet,
en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
Maar uit het bruin geëmaljeerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.

Een kind nog. Dag lieve jongen.
Gij, die Koning zijt, dit en dat, wat al niet,
ja, ja, kom er eens om.
Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?

Teleurstelling, spanning, moedeloosheid heersten ook in de gemeente waarvoor Lucas zijn Evangelie schreef. De verwerkelijking van Jezus’ droom over Gods’ Koninkrijk bleef uit. De tegenstellingen tussen arm en rijk bijvoorbeeld werden niet overwonnen. Maar, bij het ideaal van het Koninkrijk van God ging het toch om hier en nu, om een maatschappij waarin niet allerlei zelfzuchtige machten en krachten koning zijn en de dienst uitmaken?

Maar zo’n maatschappij komt niet uit de lucht vallen. Ook Góds maatschappij zijn wij. Lucas geeft ons in zijn bericht veel stof om hierover na te denken. Hij neemt ons mee met Jezus op zijn weg naar Jeruzalem. Dat is een weg van beproeving, zoals we weten uit de veertigdagentijd. Eén van die beproevingen horen we vandaag: tegenwerking en weerstand van een Samaritaans dorp. Hij mag er niet overnachten.

Jacobus en Johannes zijn woedend en willen vuur uit de hemel halen om de Samaritanen, die tweederangs joden, te verdelgen! Maar Jezus wijst hen terecht: weerstanden los je niet op met wonderen van boven te verlangen. Je zult het moeten doen met de geestkracht die je in jezelf voelt. Samen met de kracht die Hij had gevonden in zijn gesprek, zijn gebed met Mozes en Elia op de berg, gaf díe innerlijke geestkracht Hem de moed om vastberaden trouw te blijven aan zijn roeping, ook al kon Hem dat in Jeruzalem de kop kosten.

Het is die vastberadenheid en trouw die Jezus ook van zijn volgelingen vraagt. Met hele indringende en radicale beelden wil Jezus zijn volgelingen raken op het niveau van hun levenskeuze:

“De vossen hebben hun holen en de vogels hun nesten, maar de mensenzoon kan nergens zijn hoofd neerleggen…”

“Laat de doden hun doden begraven…”

“Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom kijkt, is niet geschikt voor het Koninkrijk van God”.

Deze radicale uitspraken staan er niet om ze letterlijk uit te voeren. Jezus roept niet op tot fundamentalisme, maar Hij doet wel een indringend beroep op jouw totale inzet. Hij vraagt dus niet dat je de ongeborgenheid zoekt. Tenslotte is Hij in het Samaritaans dorp ook op zoek naar logies. Het beeld dat de mensenzoon geen rust kan vinden, gebruikt Hij om te zeggen dat het appél van het Rijk Gods zo’n indringend beroep op je kan doen, dat je vaak niet toekomt aan geplande rust en geborgenheid.

Het beeld dat de doden hun doden maar moeten begraven, klinkt cru als zojuist je vader gestorven is. Toch zal Hij niet bedoelen dat je je vader niet moet begraven. Het is een indringende manier om te zeggen dat bloedverwantschap ook ten dienste moet staan van de opbouw van het Rijk Gods. Dat Hij zelf die instelling had, zien we in de kritische vraag: “Wie zijn mijn moeder en mijn broers? Wie Gods’ wil doet, die is mijn broer, mijn zus, mijn moeder”

Het antwoord op “eerst afscheid nemen” is geen verbod om afscheid te nemen, maar brengt scherp naar voren wat Hij op een breder niveau van zijn volgelingen verwacht, namelijk de concentratie van een ploeger. Als die teveel achterom kijkt, ziet hij niet wat er vlak vóór zijn voeten te doen is. Bovendien struikelt hij over zijn eigen voeten omdat de zojuist getrokken vore zó smal is, dat je de ene voet precies voor de ander moet zetten.

Jezus vraagt voor de realisatie van het Koninkrijk van God de concentratie van een goede ploeger: stap voor stap doen wat er vlak vóór je in het verlengde van de getrokken vore gedaan moet worden. Wát dat is, hangt af van de situatie waarin je leeft.

“Groot is de wereld en lang duurt de tijd, maar klein zijn de voeten die gaan waar geen wegen gaan, overal heen”, dicht Huub Oosterhuis terecht. Het gaat niet om de grootte van de stappen, maar om de inzet en toewijding waarmee ze gezet worden. Als bijvoorbeeld een zieke om aandacht roept, – en uit het Evangelie weten we dat we daarin de stem van Christus mogen horen – mag je eigenlijk niet denken: ik moet eerst nog dit doen en dat, en dan heb ik volgende week tijd voor je…

Als Hij ons roept in iemand die hulp behoeft, dichtbij of veraf, mag je niet zeggen: “ja, maar wij hebben er ook voor moeten werken, en mijn hulp beschiet er toch niet aan…” Als Hij ons oproept onze talenten te gebruiken voor de samenleving, ons in te zetten voor een vereniging, een evenement, de kerkgemeenschap, mogen we niet altijd nee verkopen onder het mom van dat we het al zo druk hebben.

Vandaag, één jaar na ons 40-jarig jubileum, worden we uitgenodigd om, met de hand aan de ploeg, er weer iets bij te doen en een stapje verder te trekken. Wij stellen u de overweging ter hand die pater Bob Bodaar, de provinciaal van de O.S.A., hier hield op 23 mei. Hij nodigt ons uit om als Boskapelgemeenschap participant te worden van een bredere Augustijnse Beweging. Niet om de Augustijnse Orde te redden, maar wel om óns talent binnen de grote kerkgemeenschap niet verloren te laten gaan, namelijk de gemeenschapsgedachte, de kleur van vriendschap, kerk als broeder/zusterschap.

Er worden een aantal vragen toegevoegd door het Bestuur van de Boskapel, die ons helpen onze positie te bepalen en mee te denken over onze naaste toekomst.

We kunnen de toekomst niet maken, niet afdwingen en niet tegenhouden. We kunnen die wel mogelijk maken door hier en nu te doen wat in onze ogen gedaan moet worden.

Stap voor stap en vastberaden!

Joost Koopmans

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie