Missie: Veraf en dichtbij

Lezing: Lucas 10, 25-37 (De barmhartige Samaritaan)

Enkele weken terug, om precies te zijn op zaterdag 25 september, nam ik deel aan een reünie van oud-seminaristen van een congregatie, waarbij ikzelf ruim tien jaar een priesteropleiding heb gevolgd. Daar ontmoette ik na vele jaren opnieuw ‘Wim’ die me vertelde, dat hij direct na zijn wijding als missionaris naar de Kongo vertrokken was. ‘Daar’ zo zei hij, ‘heb ik vijfendertig jaar gepreekt, gedoopt, kinderen voorbereid op de Eerste Communie, gevormd, huwelijken ingezegend en mensen begraven. Toen ik enkele jaren geleden terugkwam in Europa schrok ik ervan, hoe enorm de kerk hier in die jaren was veranderd, terwijl ik alsmaar doorborduurde op de vroegere traditie. ‘Ik wou’ zo zei deze priester, ‘dat ik net als jij eerder het licht had gezien. Ik zou het nu heel anders doen.’ Doorvragend bleek, dat hij zich intensiever zou verdiepen in de waarden en normen van de Bantoecultuur, zich in zijn pastorale zorg meer zou richten op de eigen verantwoordelijkheid van zijn parochianen en op – zoals hij het noemde – de werken van barmhartigheid. Kortom: hij zou zich in zijn missiegebied minder bezig houden met prediking en meer met goede werken.

Als mijn opvatting heb ik hem gegeven, dat hij niet erover moest kniezen, hoe het allemaal was gelopen. Hij had immers naar zijn beste inzicht gehandeld. Het zou pas fout zijn, naar mijn oordeel, als hij met zijn huidige inzicht nog hetzelfde zou handelen als in de tijd ervóór.

Dit actueel voorbeeld laat ons zien, hoe ook bij klassieke missionarissen de opvatting van ‘missionering’ is veranderd. Er is een grote verandering gekomen in de verkondiging van het geloof. De tijden van Bonifacius en Willibrordus die met een groot kruis in de hand hele volksstammen bekeerden, zijn definitief voorbij. Het uitdragen van het geloof via een gerichtheid op onze naasten, zoals Jezus dat zelf heeft aangegeven met de woorden ‘en het tweede gebod is gelijk aan het eerste: bemin uw naaste als uzelf’, past beter in onze tijd.

Niet iedereen hoeft hetzelfde te doen. Sommigen trekken als werker naar landen in ontwikkeling, anderen zijn hier in het land actief betrokken bij organisaties als de Zonnebloem en Amnesty International. Weer anderen helpen een zieke buurvrouw, anderen leggen in hun beroep als leraar, arts of verpleegkundige, jongerenwerker of pastoraal werker net even iets meer als hetgeen ze volgens hun arbeidscontract verplicht zijn.

Natuurlijk is het meer spectaculair als je kunt verhalen over het leven tussen indianenvolkeren, of over de dagelijkse gang van zaken binnen Roemeense kindertehuizen, maar daarom heeft dat werk nog niet meer waarde. Wie op je weg komt kan immers je naaste zijn die je hulp nodig heeft. Prachtig is dat verwoord in het verhaal van de Barmhartige Samaritaan, dat zojuist is voorgelezen.

Maar we kunnen ook luisteren naar kerkvader Augustinus, die het in zijn brief aan Proba op deze wijze zei, zoals ik las in het prachtige boekje, dat onlangs is uitgegeven:

Laat iedereen doen wat hij of zij kan.
Als je iets niet kunt, doe het dan toch in degene die het wel kan.
Wanneer je blij en dankbaar bent dat die ander wel kan.
Wat jij niet kunt,
wie tot minder in staat is,
moet een ander die tot meer in staat is niet afremmen.
en wie meer kan,
moet een ander die niet zoveel kan, niet opjagen.
Aan God zijn wij immers ons geweten verschuldigd,
aan elkaar de onderlinge liefde.
Door zijn kracht die in ons werkt,
Is de Heer in staat om in ons veel meer tot stand te brengen
dan wij zouden willen vragen of zelfs maar kunnen bedenken.

Door te doen wat we kunnen voor onze naasten , nodigen we impliciet alle mensen uit zich aan te sluiten bij de kerk als Gods volk onderweg. Wij nodigen uit –forceren niet – zoals missionarissen in koloniale tijden dat met de beste bedoelingen deden om ook de arme zwartjes of roodhuiden de kans te bieden in de hemel te komen. Vele jaren is de kerk als instituut benadrukt, alsof deze al vanuit de tijd van de apostelen zou zijn vastgelegd.

Willen we de missiegedachte nog inhoud geven dan kan het niet meer gaan om de onderwerping van ongelovigen binnen dat instituut kerk met voorbijgaan aan de normen en waarden zoals die in andere culturen leven. Het respect voor onze medemens moet voorop staan, het respect voor de waarden die bij hén verankerd liggen. Alleen wanneer we in het samen op weg zijn willen luisteren wat de ander – veraf of dichtbij – bezig houdt en wij bereid zijn om in te gaan op zijn vragen, dragen we de vreugde van Christus over die in ons ‘gebeurt’.

Missionering in klassieke zin en missionering in moderne zin, behoeven niet in tegenstelling te zijn. Dat ervoer ik in Bolivia bij een bezoek aan een kleine communiteit van zusters van Charles de Foucault. In navolging van hun stichter, die zich liet inspireren door het zogenaamd verborgen leven van Jezus in Nazareth, vormen zij kleine gemeenschappen in de armste delen van de wereld en leiden een leven dat zich uiterlijk niet onderscheidt van de leefwijze van de plaatselijke bevolking. Zo wonen er een drietal Franse zusters in het gehucht Vila Vila, ver van
de bewoonde wereld. Met een arts die daar eens per maand komt voor medische zorg ben ik meegereden: twee uur over een asfaltweg en daarna vier uur bonken in zijn jeep over kronkelige karrensporen. In het dorpje hielpen de zusters Nicola, Anacusa en Teresa in gezinnen waar zieken waren, zij leerden volwassenen lezen, schrijven en rekenen, assisteerden bij bevallingen, vierden feest met de dorpelingen en treurden met hen bij droevige gebeurtenissen.

Ook gingen zij gekleed zoals de bevolking van de Hoge Andes, inclusief de grote hoeden en de kleurige poncho’s. Tot mijn verbazing trof ik er twee novicen aan, terwijl ik wist dat andere orden in Bolivia amper belangstellenden om in te treden kennen. Met één van hen, Maritza raakte ik gesprek en ik vroeg, wat haar bezielde om novice te worden. Haar antwoord was: Alle orden en congregaties in Latijns-Amerika zijn afkomstig uit Europa en sluiten niet aan bij onze cultuur. De zusters van Charles de Foucault sluiten aan bij onze Inka-cultuur en hier hoef ik niet te vervreemden van mijn eigen wortels.

Morgen zal ik weer in Bolivia zijn. Na deze viering ga ik naar huis om mijn ingepakte koffers op te halen. Vanmiddag vertrek ik weer voor een kleine maand om met anderen een nieuw project van de grond te tillen dat als doel heeft het gespecialiseerd onderwijs voor kinderen met een handicap mogelijk te maken. Daar ligt mijn missie. Die van u ligt op andere plaatsen, maar is zeker even waardevol als het mooie werk, dat ik mag doen. Soms twijfel ik er zelfs aan, of ik wel de goede weg kies door al die verre reizen en of ik mijn naaste niet dichterbij moet zoeken. Naast ons woont bijvoorbeeld een reumatische en inmiddels invalide buurvrouw voor wie wij het eerste oproepadres zijn. Zij voelt zich angstig en onzeker als wij op reis gaan. Gelukkig voor haar – en ter geruststelling van mijn geweten – blijft deze keer mijn vrouw Yvonne thuis.

Maar of we onze naaste nu vinden veraf of dichtbij, het doel blijft met elkaar te zorgen voor een betere wereld. Woorden van Augustinus, die ik vond in dit onlangs hier gepresenteerde boekje, sluiten hierbij aan:

Het zijn slechte tijden! Het zijn moeilijke tijden! Dat zeggen de mensen tenminste. Laten we liever goed leven, dan worden de tijden vanzelf goed. Wij zijn de tijden. Zoals wij zijn, zijn de tijden… (Uit preek 80)

Jan Broeders

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie