Het hart dat spreekt

(9.30 uur) Lezingen: Begin van de Belijdenissen, Johannes 15, 7-17

Welkom in de Boskapel, om samen de 1650e geboortedag van bisschop Augustinus te vieren.

Verreweg het meest bekende werk van Augustinus is Confessiones, vertaald Belijdenissen. Het begin daarvan is voorgelezen in de eerste lezing.

De Belijdenissen… het is een uniek geschrift. Je zou kunnen zeggen dat het een autobiografie is.
Er zijn vele autobiografieën geschreven, maar deze -van Augustinus- is in die zin uniek, dat het tegelijk een lofprijzing is van God. Het is een blij, opgewekt boek, geschreven vanuit een stemming van grote dankbaarheid.

Want wat belijdt Augustinus? Globaal genomen twee dingen: het eigen falen en dwalen – wat Augustinus ook zonde noemt – en Gods goedheid en grootheid.

Het begint met de onrust van en in het hart: ‘Rusteloos is ons hart’ zegt Augustinus. De onrust van het hart, de innerlijke onrust in ons, is het eerste teken, de eerste uiting van religie, van religieus zijn. En in die onrust van het hart is God al werkzaam. Onrust wil zeggen, wij zijn op zoek naar God. Maar dat zoeken geschiedt innerlijk. Je hoeft er geen lange reis voor te ondernemen. Je hoeft niet ver weg te kijken, naar de sterrenhemel. Want God is, zegt Augustinus, innerlijker dan mijn eigen innerlijk. En daarom spreekt hij niet óver God, zoals in een theologische verhandeling, maar ván God.

Ván God spreken, dat gebeurt niet in een leslokaal, niet in de wetenschappen, maar in de lofprijzing, in het gebed, in de psalmen, in de liturgie, in een gedicht. Wat van God gezegd wordt, dat komt uit het hart. Maar het hart moet wel geraakt worden van buiten af door het woord van de Schrift, door de prediking in en door de kerk; daarom inkeer, in jezelf keren.

Bij Augustinus gebeurde dat door de prediking van Ambrosius en doordat hij toevallig, op goed geluk, een tekst las uit de Brieven van de apostel Paulus. Hij heeft als het ware een uitnodigende stem gehoord: ‘neem en lees’. En dat heeft geleid tot zijn bekering, tot geloof in God.

Wat voor Augustinus belangrijk was, is dat het geloof op de eerste plaats een zaak is van het hart, het hart dat getroffen wordt door het woord van de verkondiging of van de Schrift, de Bijbel. Maar niet alleen het hart; Augustinus wil ook verstaan. Het verstand wil begrijpen. Wij mogen het verstand niet uitsluiten. En daarom denkt Augustinus ook na en wil hij ook aan anderen uiteenzetten en verklaren wat het geloof inhoudt. Vieren en verklaren horen bij elkaar.

Van Augustinus bestaat de bekende spreuk: ‘Ik geloof om te begrijpen’. Het geloof is de weg tot begrijpen. Geloven bij Augustinus is niet zo maar klakkeloos aannemen wat wordt verkondigd. Het gaat hem niet om de letter, maar om de geest.

In de geest van Augustinus mogen wij kritisch zijn, mogen wij kritische vragen stellen om de geloofsinhoud beter tot ons te laten doordringen. Belangrijk voor onze tijd, waarin veel op de helling wordt gezet. Niet enkel uiterlijk aannemen, maar innerlijk bezield worden.

Martien van den Nieuwenhuizen osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie