Genezing en geloof

Lezing: Lucas 17, 11-19

Welkom in de Boskapel, die haar deuren wijd open zet voor zoekers naar levenszin. Als mensen ziek zijn, vragen ze zich vaak af: Wat is de zin van mijn leven? Ze zijn bereid om de meest vervelende behandelingen te ondergaan om beter te worden, of minstens weer meer kwaliteit van leven te verkrijgen.

Maar genezen en genezen is twee. De ene genezing is de genezing van het lichaam. Daar staan de negen Joden voor in het Evangelie van vandaag, als ze door Jezus genezen worden van hun afschuwelijke melaatsheid. “We zijn weer beter, we zijn weer als vroeger.” Er is geen dieper niveau bereikt. Terwijl de Samaritaan ook een innerlijke verandering ondergaat: hij ontdekt een nieuwe zingeving! Bij hem geneest niet alleen het lichaam, maar ook de ziel.

‘Geloof en genezing’: van geloof kan een genezende en reddende kracht uitgaan. De ultieme genezing is de genezing van de hele mens! Zo houdt een Samaritaan, die volgens de religieuze verkondigingen in dietijd niet tot het ware geloof hoort, ons vandaag een spiegel voor.

Overweging

Als je het Evangelie van vandaag oppervlakkig leest, zou je tot de conclusie kunnen komen dat Jezus een kniesoor is; boos, omdat maar een melaatse Hem komt bedanken voor zijn genezing. Waar zijn die negen anderen gebleven?

Maar het Evangelie is literatuur. En net als alle literatuur vraagt het om aandachtig en aanschouwend lezen. Het punt is niet dat Jezus geen bedankje krijgt. Natuurlijk: het is niet fraai als we alleen in nood bidden, hoewel nood leert bidden. Maar ook in goede tijden dienen we ons bewust te zijn van Gods betrokken aanwezigheid. Het is een uitdrukking van volwassen geloof vooral dankbaar te zijn voor het goede dat je ten deel valt.

Dat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Toen ik met de dirigent naar een expliciet danklied zocht om vandaag te zingen, konden we er geen in onze eigen bundel zingen. Uiteindelijk vonden we er een van protestantse komaf: ‘Dankt, dankt nu allen God’, waarmee we deze viering zullen besluiten. We ondervinden het soms zelf dat we ons voor iemand inzetten en toch nooit een bedankje krijgen. Op den duur werkt dat demotiverend. Een bedankje doorbreekt de vanzelfsprekendheid.

Maar nogmaals: dankbaarheid is hier niet hét punt! Waar het de schrijver om gaat is, om te laten zien dat de Samaritaan eer brengt aan God, en die anderen, negen Israëlieten, niet! Zij geloofden wel dat Jezus genezende kracht had. Die kracht had hen daadwerkelijk gereinigd. Maar daarmee hield voor hen de relatie op. Eenmaal gereinigd worden ze weer in de gemeenschap opgenomen en kunnen ze verder. Het leven keert weer terug in zijn oude bedding, en ze verdwijnen uit het verhaal.

Bij de Samaritaan gebeurt er méér. Hij is ook geráákt door de persoon van de genezer. In diens helende kracht heeft hij Gods nabijheid gevoeld. Hij heeft vertrouwen gekregen in Jezus zelf. Die gaat dieper dan het verstandelijk geloven dat iemand genezende krachten heeft. Bij deze éne mens is er door het hele gebeuren een affectieve snaar geraakt. Jezus heeft dat aangevoeld, vandaar zijn reactie: “Sta op, verrijs!” en “ga mee, je vertrouwen is je bevrijding”.

‘Vroeger’ is voortaan vreemd voor de Samaritaan. Het verhaal suggereert dat hij een nieuw begin maakt met zijn leven en Jezus op zijn weg volgt. Bij de negen Israëlieten is de huid genezen, bij de Samaritaan óók de mens die er in zit! Hij heeft een nieuwe zingeving ontdekt, waardoor hij een ander mens wordt. Dat kun je zien aan zijn gedrag.

Natuurlijk is dit genezingsverhaal niet alleen bedoeld voor zieken. Dat geloof gezond kan maken geldt voor ons allemaal. Genezing betreft immers niet alleen ons lichaam, maar ons totale welzijn en geluk. Het blijkt bijvoorbeeld al uit ons taalgebruik dat genezing zich op diverse niveau’s kan voltrekken. Zo zeggen we bijvoorbeeld dat iemand genezen is van zijn alcohol- of drugsverslaving. Maar iemand kan evenzeer genezen van angst of onhebbelijk gedrag, of van een levenswijze die God en mens veel verdriet doet. Als we er zo naar kijken, hebben we allemaal genezing nodig.

Opmerkelijk is dat die ene man die terugkomt om Jezus te bedanken een Samaritaan is. In de joodse gemeenschap ten tijde van Jezus was een Samaritaan een vreemdeling, sterker nog: een afvallige, een halve heiden. Maar toch: niet de zogenaamde gelovige Joden komen terug, maar wel deze vreemdeling. Iemand die niet bij hen hoort, houdt hen een spiegel voor.

Jezus kijkt niet naar komaf: voor hem telt de innerlijke gesteldheid, datgene wat een mens tot waarlijk mens maakt. Zo maakt Lucas zijn lezers duidelijk dat God zelf geen onderscheid maakt tussen mensen op grond van hun etniciteit of religie. God ziet de mens naar zijn hart!

In deze tijd zou dit verhaal dan ook wel hel goed kunnen gaan over de negen christenen en de ene moslim. Daarom wil ik deze overweging dan ook afsluiten met het verhaal van een moslim, een heel populaire vooral bij jongeren: Ali B, jawel de rapper. Deze week nog haalde hij journaal en krant door zijn ‘cool shake’ met prinses Maxima in theater Tuschinski.

Het dagblad Trouw liet hem vorige week zaterdag aan het woord in de serie ‘Tien geboden’. Uit het verhaal dat hij vertelt kun je meteen merken dat geloof hem gezond heeft gemaakt; hij is innerlijk veranderd, en dat kun je zien aan zijn gedrag.

“Ik had verkeerde vrienden, ik deed verkeerde dingen: gokken, blowen, dealen. Vooral dat gokken was een groot probleem. Ik raakte alles kwijt. Mijn moeder zei: ‘ga jij er maar eens een tijdje tussenuit’. Ik heb drie maanden in Marokko gezeten, lange wandelingen door de bergen gemaakt, en nagedacht hoe het nou verder moest. Ik zat ook in een identiteitscrisis. Ik riep altijd wel dat ik Marokkaan was, maar ik wist er eigenlijk geen moer van. Dus ging ik terug naar mijn ‘roots’ om het allemaal uit te vinden. Ik heb daar, in die bergen, ook hulp van boven gevraagd. ‘Hee, help me out’, weet je. ‘Geef me de moed. Geef me de kracht’. En ineens begreep ik wat ik fout deed: ik zag mezelf weer in die gokhal zitten en ik dacht ook aan het blowen: hoe ik verschillende Ali’s was geworden. Als ik stoned was, deed ik dingen die ik nuchter nooit zou doen. Ik wil één zijn. Eén face, één gezicht. Zoals ik in slaap val, wil ik ook wakker worden. Zo wil ik zijn tijdens mijn ontbijt, de lunch en het avondeten: een en dezelfde. Bekering klinkt zo zwaar, maar het is wel een ommekeer in mijn leven geweest. Ik geloof dat God mij een paar seintjes heeft gegeven. Ik gooi geen kwartje meer in de gokkast, ik drink niet, ik steel niet, ik gebruik geen drugs. Fruit! Vitamines! Een lekker potje voetballen, een heerlijk stuk meloen eten, wegzakken in een bubbelbad en mijn bloed voelen stromen. Dan ben ik zo haai als een papegaai! Als die rotzooi, al die slechte dingen, die wil ik niet meer. Ik wil een goede moslim zijn, al moet ik je eerlijk zeggen dat ik nog niet precies weet wat dat precies inhoudt. Dat ga ik nog allemaal uitzoeken. Vroeger was het geloof voor mij een sprookje. De wonderen van Allah, de verhalen van de profeet: het waren allemaal sprookjes. Maar nu wil ik weten wat er achter zit: Wie ben ik? Waarom ben ik moslim? Wat wordt er van ons verwacht? Wie was de profeet Mohammed? Wie was Jezus?”

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie