De liefde bepaalt de grenzen van de kerk

Lezing: Johannes 13, 31-35

Iedereen heeft wel de ervaring dat lente je zo’n nieuw gevoel kan geven. Het ontwakend natuurleven, de zachte lucht vol beloften; het wekt in jezelf een stemming van hoop en verwachting.

De Schriftlezingen van deze mei-zondag zijn ook vol beloften:
Het gaat over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, over het nieuwe Jeruzalem, over een nieuw soort liefde. Het zijn woorden die ons uitdagen, om het bij het oude niet te laten. Niet te berusten in toen en weleer. Woorden die oproepen om op te staan, uit te zien…door te gaan!

Overweging

“Liefde is een aangenaam woord”, zegt Augustinus in zijn commentaar op de Johannes-brief, “maar nog liefelijker is de werkelijkheid.”

Bij het woord “liefde” denken we in onze taal en cultuur vooral aan de persoonlijke relatie tussen twee mensen die van elkaar houden. Die heerlijke affectieve relatie. Maar in het Evangelie van vandaag gaat het over de liefde tussen mensen die als leerlingen van Jezus een christelijke gemeenschap willen opbouwen. Het gaat dus over de onderlinge verhouding tussen mensen van een Kerk; dus ook over ons als Boskapel-gemeenschap. Aan ons wordt een nieuw gebod gegeven: dat we elkaar liefhebben zoals Hij, Jezus, ons heeft liefgehad!

Nieuw? Liefde is toch van alle tijden. Wat is daar nieuw aan? Om dat te ontdekken moeten we naar de context waarin deze woorden gesproken zijn. Namelijk tijdens het laatste avondmaal van Jezus met zijn leerlingen. Hij heeft hen zojuist de voeten gewassen, met als opdracht:
“Als ik, jullie heer en meester, dat nederige dienstwerk heb verricht, dan moeten jullie ook elkaar de voeten wassen. Ik heb je een voorbeeld gegeven opdat júllie doen zoals ik heb gedaan”.

Dan deelt Hij het brood met hen. Dat betekende iets, het is gemeenschap met elkaar vieren.
Ook Judas neemt nog een stuk aan, en gaat dan weg om Hem over te leveren aan de overheid.
En Petrus zal Hem die nacht nog driemaal verloochenen. Iedereen laat Hem tijdens zijn doodsangst in de kou staan en vlucht weg in de nacht. “Was dát soms de vrucht van dat laatste samenzijn aan tafel!?” vroeg Bert Boxce zich af tijdens zijn woord op Witte Donderdag.

En dat gebeurde allemaal ná die woorden over het elkaar beminnen. Je zou ze toch! En toch laat Jezus zijn leerlingen niet vallen, vergeldt Hij geen kwaad met kwaad; ze blijven in zijn aandacht. Als dat geen nieuwe liefde is! “Een nieuw gebod geef ik jullie: heb elkaar lief zoals ik jullie heb liefgehad!” Daar kon de Johannesgemeente voor wie dit Evangelie op de eerste plaats geschreven was, het mee doen! Ze zaten in een crisis op het eind van die 1e eeuw.

Daar is de spanning tussen de Jezus-volgelingen onderling. Dat hebben we twee weken geleden gezien. De gemeente van Johannes vertegenwoordigt de meer vrouwelijke en op ervaring gerichte stroom, terwijl de grote gemeente van Petrus de meer mannelijke, orthodoxe stroming is.

Maar er is ook een spanning tussen de Jezus-volgelingen en het orthodox jodendom. Je zult je maar losgemaakt hebben van je vertrouwde godsdienst, omdat je gelooft dat Jezus spoedig terugkeert om het nieuwe Jeruzalem te vestigen. Maar met dat al is nu al een halve eeuw verstreken en zijn er veel vragen en problemen gerezen. Zijn we wel goed bezig?
Welke garantie hebben we dat de woorden van Jezus en de richting die Hij wees, in overeenstemming zijn met de oorspronkelijke joodse traditie?

Zo’n crisis – dat weten we als Boskapel ook uit ervaring – zal alleen maar erger worden als er geen dienende liefde is onder elkaar. Alleen als we die liefde onder elkaar bewaren, kun je gemotiveerd worden om niet op te geven, maar jezelf vanuit die liefde te vernieuwen.

Zo zijn we vanuit de Johannes-gemeente bij onszelf gekomen: “Kunnen anderen aan ons zien dat we zijn leerlingen zijn omdat we de liefde onder elkaar bewaren?”

Eerst een voorbeeld dat ik ergens las. Een tijd geleden was een Nederlandse pater op bezoek in een katholiek ziekenhuis in Afrika. En wel in één van die landen die verscheurd worden door onderlinge stammentwisten. Hij vroeg aan de directeur van het ziekenhuis, wat het betekende dat het “katholiek” was. Toen wees de directeur naar een zwarte verpleegster en zei: “Wat ons geloof betekent wordt duidelijk aan haar. Telkens opnieuw kan ze het over haar hart verkrijgen om evengoed te zorgen voor iemand van een andere stam als voor iemand van de eigen stam.
Jarenlange haat heeft de verhouding tussen volkeren vergiftigd. Wat een zelfoverwinning daarom, om gelijke zorg te hebben voor stamgenoten en niet-stamgenoten!”

En nu terug naar hier. Ik denk dat anderen aan óns kunnen zien dat we leerlingen van Jezus zijn, als ook wij ons dienend en helpend opstellen in kerk en maatschappij.

Wat dacht u hiervan: Vorig jaar werd de stilte van de dodenherdenking in Amsterdam door het geschreeuw van Marokkaanse jongens doorbroken. Na afloop gingen ze met de bloemenkransen voetballen. Terecht zijn ze daarvoor gestraft, die ettertjes. Maar dan, hoe ga je daarna met elkaar verder? Tel je dit incident op bij alle anderen, zodat het vast gaat zitten, stam tegen stam, en er geen samenleven meer mogelijk is? Dat is de oude orde.

In Amsterdam vonden ze een nieuwe weg. Voorzitters van wijken, wijkpolitie en jongerenwerkers sloegen de handen ineen, samen met de Marokkaanse buurtvaders. Er kwam een avond over antisemitisme, een tocht naar graven van ook Marokkaanse oorlogsslachtoffers, en een gesprek met ouders.

De jongens zijn anders gaan denken. Afgelopen dinsdag legden ze een bloemstuk bij het monument in stadsdelen van Amsterdam, ze lazen namen voor van gesneuvelde Marokkanen. Marokkaanse buurtgenoten zetten zich in voor de plechtigheid.

Als dat niet met het nieuwe gebod te maken heeft, dat wij elkaar moeten liefhebben, zoals Hij ons heeft liefgehad! Maar hebben die werkers dat dan uit christelijke overtuiging gedaan? Ik weet niet of zij christen waren. De buurtvaders zijn in ieder geval moslim. Maar wat je aan hen ziet, is dat ze ernaar streven om de liefde onder elkaar te bewaren. “En daaraan herkennen mensen dat je mijn leerling bent”, zegt Jezus.

Volgens Augustinus bepaalt de liefde de grenzen van de kerk. “Het is wonderlijk”, zegt hij, “dat mensen in de kerk er zodoende buiten vallen, en mensen van buiten de kerk er toch bijhoren!”

Helaas dat in onze huidige officiële kerk vaak een wereldvreemde leer en moraal, als meetlat wordt gebruikt voor het leerling van Jezus zijn. Het zou echt van een vernieuwende geest getuigen als zij zich dienend en helpend zou opstellen ten aanzien van de vragen en verlangens die in deze tijd leven. Zoals Paus Johannes in 1960 deed met het bijeenroepen van een Concilie. Zoals op initiatief van deze Paus ooit alle godsdienstleiders bij elkaar kwamen in Assisi voor een ontmoeting en een viering.

Toen voelde je vernieuwing als een lente, die je van hoofd tot voeten doortintelt. Maar wie houdt ons tegen om daar mee dóór te gaan, en om ons hier aan de basis open te stellen voor de vragen en verlangens van al degenen die ook in onze tijd graag bij de beweging van Jezus Christus willen blijven komen, maar dat op de – van bovenaf – bepaalde manier niet meer kunnen? Onze overheid houdt het in ieder geval niet tegen.

Daarom heb ik de prior provinciaal van de OSA uitgenodigd om zíjn visie te geven op de toekomst van de Augustijnse beweging, waaronder de Boskapel valt. Ik hoorde deze visie al op ons tussenkapittel in april. Het voelde als lente, een nieuw begin. Ik hoop dat u dat straks komt meevoelen, op zondag 23 mei, over veertien dagen. Kunnen wij onze inspiratie hier doorgeven aan een nieuwe generatie? Veel zal afhangen van ons, van wat wij met de nieuwe visie doen: nemen wij het aan, of laten we het gaan?

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie