Laat heb ik jou liefgekregen

Laat heb ik jou liefgekregen
schoonheid, zo oud en zo nieuw,
laat heb ik jou liefgekregen!

En och, jij was binnen
en ik buiten en daar zocht ik jou.
Op die mooie dingen die jij gemaakt had
stortte ik mij, lelijk als ik was.
Jij was bij mij en ik was niet bij jou.
Die dingen hielden mij ver van jou,
maar als zij niet in jou waren,
waren zij er nooit geweest.

Geroepen heb je, geschreeuwd heb je
en je hebt mijn doofheid doorbroken.
Geschitterd heb je, gestraald heb je
en je hebt mijn blindheid verjaagd.
Gegeurd heb je en ik haalde adem
en snak naar jou.
Ik heb je geproefd
en honger en dorst naar jou.
Jij hebt me aangeraakt
en ik ben ontbrand in jouw vrede.

Uit de Belijdenissen van Augustinus, boek X.27.38,
vertaling K. Peijnenborg

Dit bericht is geplaatst in Gebeden. Bookmark de permalink.

Geef een reactie